Jan Jakob Lodewijk ten Kate, 1819-1889

In het onafzienbaar grote oeuvre waarmee dominee-dichter J.J.L. ten Kate zijn landgenoten in de tweede helft van de eeuw verblijdde dan wel ergerde – een tussenweg leek er niet te zijn – speelde vertaling een al even onafzienbaar grote rol. In zijn allereerste bundel Gedichten, die hij in 1836 publiceerde op de opmerkelijk jonge leeftijd van zeventien jaar, waren al vertalingen opgenomen. Als motto gebruikte hij een citaat van zijn grote voorbeeld Bilderdijk:

Ik stort mijn boezem uit, als ’t vinkjen in de abeelen,
En vraag niet, wien mijn stem kan streelen,
Maar vier behoefte bot. Mijn dichtkunst is gevoel,
En ’t zij uit eigen bron gevloten,
Of, uit een andre borst mijn’ boezem ingegoten,
Ik zing en ken geen ander doel.

Ten Kate spiegelde zich graag aan Bilderdijk. Wat hun protestants-orthodoxe inslag betreft was dat zeker terecht, maar uit dit citaat blijkt ook verwantschap op literair gebied: er spreekt een dwangmatig schrijverschap uit (Ten Kate zou een ‘behoefte aan rijmen’ hebben en lijden aan ‘zangdrift’ – bij de minste aanleiding vloeiden de dichtregels uit zijn pen) en wijst vooruit naar de grote rol die vertaling in zijn oeuvre zou krijgen. Ten Kate vertaalde onvoorstelbaar veel teksten die oorspronkelijk in een onvoorstelbare reeks talen gesteld waren. Een inventarisatie levert het volgende rijtje op: Armeens, Deens, Duits, Engels, Frans, Grieks, Hongaars, Italiaans, Latijn, Oudfries, Portugees, Sanskriet, Spaans, Turks, Zweeds. Veel van die vertalingen werden via een tussentaal gemaakt, meestal het Duits.

Vroegrijp dichterschap
Ten Kate was afkomstig uit de middenklasse, zijn vader Jan Herman ten Kate werkte als hoofdcommies bij het Departement van Marine in Den Haag, zijn moeder was Johanna Henrietta Adriana de Witte van Haamstede. Hij ging naar het beroemde Haagse onderwijsinstituut van J. van Renesse dat als Franse school onderwijs bood in moderne vreemde talen en praktische vakken als boekhouden. Vervolgonderwijs vonden zijn ouders niet nodig, zodat hij al op dertienjarige leeftijd in dienst trad als klerk bij een procureurskantoor, waar hij later opklom tot boekhouder. Ondertussen bleef hij bij Van Renesse avondonderwijs volgen, met name in Duits en Engels, en ontwikkelde hij literaire belangstelling. Die belangstelling mondde uit in een vroegrijp dichterschap: toen hij vijftien was debuteerde hij in het bekende tijdschrift De Boekzaal der geleerde Wereld en werd prompt uitgenodigd om toe te treden tot het letterkundig genootschap ‘Oefening kweekt kennis’. Een jaar later hield hij zijn eerste voordracht voor het genootschap en van 1843-1845 was hij zelfs ondervoorzitter. Dat een ontluikend talent voor het dichterschap niet goed tot bloei zou kunnen komen bij dagelijkse beslommeringen als boekhouder, zag iedereen wel in. Zelf had Ten Kate te kennen gegeven een loopbaan als predikant te ambiëren – naar het voorbeeld van de Leidse theologantendichters. Otto Heldring, predikant te Hemmen en vriend van de familie, nam hem onder zijn hoede en bij hem in de pastorie bereidde Ten Kate zich in afzondering voor op de staatsexamens die hem toegang zouden verschaffen tot de studie theologie. In januari 1838 had hij die achter de rug en schreef hij zich in aan de Utrechtse universiteit. Vijfenhalf jaar later, in 1844, behaalde hij zijn proponentsexamen en was hij beschikbaar om tot predikant beroepen te worden. Na ruim een half jaar werd hij beroepen op Marken, later in Almkerk (1847), in Middelburg (1850) en in Amsterdam (1860). In die laatste plaats zou hij tot zijn overlijden, kort na zijn zeventigste verjaardag in 1889, actief blijven.

Dominee-dichter-vertaler
In die 45 jaar ontwikkelde hij zich tot de bekendste, bijna stereotypische dominee-dichter van Nederland. De combinatie van het beroep van predikant met letterkundige activiteiten was in de negentiende eeuw bijna standaard. Binnen een theologieopleiding dienden de studenten eerst een kandidaats letteren en wijsbegeerte te behalen, waardoor ze ook een gedegen opleiding in Nederlandse en buitenlandse taal- en letterkunde kregen. Binnen de beroepsuitoefening was er bovendien voldoende gelegenheid om zich met schrijven bezig te houden. Het kwam ook voor dat literair sensibele jonge mannen theologie gingen studeren juist vanwege de mogelijkheid om zich op een literaire carrière voor te bereiden. Voor Ten Kate zal dat niet gegolden hebben; hij droeg zijn geloof vanaf de kansel en in zijn literaire werk vol overtuiging uit, al werd wel opgemerkt dat hij zijn herderlijke taken nogal eens opofferde voor zijn poëzie, oorspronkelijk en vertaald.
Het oorspronkelijke werk, veelal huiselijke en stichtelijke poëzie, heeft geen blijvende indruk achtergelaten, anders dan door de polemische afwijzing ervan door Frederik van Eeden en zijn bentgenoten van de Beweging van Tachtig. Enige bewondering kon er soms nog wel af voor de majestueuze natuurbeschrijvingen in zijn grote gedicht ‘De Schepping’, waarin hij probeerde het verhaal uit het eerste boek van Genesis te laten stroken met contemporaine wetenschappelijke inzichten. Zijn verdiensten als vertaler vonden daarentegen wel weerklank. Criticus en schrijver Conrad Busken Huet (1826-1886), die van zijn dichterschap niets moest hebben, riep in een bespreking van ‘De Schepping’ uit 1867 op:

[…] wanneer men, van schier alle dichters van den nieuweren tijd, een aantal beroemde verzen in hollandsche dichtmaat heeft overgebragt, en men daarenboven zoomin voor de oostersche als voor de noord-europesche letterkunde is teruggedeinsd; dan heeft men aanspraak op ernstiger waardering […].

Dat hij zich regelmatig bediende van (vooral) Duitse tussenvertalingen kwam hem wel op de nodige kritiek van tijdgenoten te staan. Zelf beschouwde hij de tussenvertalingen eerder als hulp bij het werk. Bij kortere, lyrische gedichten in zijn bundels is een grote variatie aan zelfdeclaraties te vinden die moesten getuigen van de vaak losse relatie met een buitenlandse bron: niet alleen ‘vertaling’ en ‘bewerking’, maar ook ‘vrij vertaald’, ‘vrij gevolgd’, ‘vrij naar / uit ’t Engelsch / Hoogduitsch / …’, ‘gevolgd’, ‘van verre gevolgd naar’, ‘ontleend’, ‘van verre ten deele gevolgd’, ‘deels naar’, ‘ten deele naar’, ‘naar’, ‘vrij bewerkt naar’ en ‘hier en daar gevolgd naar’ en een keer zelfs ‘bewerkt en gekerstend’.
Onder de grotere werken die hij vertaalde bevonden zich, naast veel kerkhymnen en Bijbelfragmenten (onder meer Het boek Job in 1865 en de Psalmen van 1872 tot 1874), Torquato Tasso’s kruistochtepos La Gerusalemme liberata (Jeruzalem verlost, 1852-1865), de sprookjes van Andersen (1868), de fabels van De la Fontaine (1868-1871), het grote zondevalgedicht Paradise Lost van Milton (Het paradijs verloren, 1875), de Inferno van Dante (De hel, 1876) en het eerste deel van Goethes Faust (1878). Daarnaast vertaalde hij veel werk van Friedrich von Schiller (1759-1805) en van Byron (1788-1824). Van deze laatste verscheen in 1870 een bloemlezing van Ten Kates vertalingen onder de titel Gedichten. Wat vertaling betreft vormden de jaren zestig en zeventig het hoogtepunt van zijn loopbaan. Veel van de grotere werken werden als luxe, geïllustreerde uitgaven, salontafelboeken in wezen, op de markt gebracht. Hiervoor leende de naam van Ten Kate zich dus uitstekend.
In zijn dichtbundels publiceerde hij meestal zowel oorspronkelijk als vertaald werk. Geregeld bracht hij bovendien verzamelbundels van door hem vertaalde poëzie uit, waaronder Vertaalde poëzy (1839), de reeks Bloemen uit den vreemde, met vertalingen uit het Duits (1857), Frans (1858) en Engels (1859), het tweedelige Panpoëticon. Bloemlezing uit de vertaalde poëzy der kompleete dichtwerken (1860) en Overgeplant. Nieuwe Bloemlezing uit de vertaalde poëzy der kompleete dichtwerken (ca. 1875). De inhoud van die bundels overlapte voor een groot deel met elkaar.
De uitgeeftactiek van hergebruik was niet per se uitzonderlijk. De levenscyclus van een gedicht begon in die tijd over het algemeen bij een voordracht van de tekst in een letterkundig genootschap, waarna die in een almanak of tijdschrift werd gepubliceerd en uiteindelijk in een bundel terechtkwam. Ten Kate en zijn uitgevers voerden dit systeem nog veel verder door. De uitgevers was er alles aan gelegen om in allerlei verschillende samenstellingen en onder verschillende titels het werk van Ten Kate in roulatie te houden. Als de naam Ten Kate het omslag sierde, betekende dat gegarandeerd goede verkoopcijfers. Ten Kate zelf wist dan ook zeer aanzienlijke honoraria voor zijn vertaalwerk te bedingen. De correspondentie met uitgevers toont aan dat Ten Kate zijn huid duur verkocht, vaak onder de dreiging het project terug te trekken. In de periode van 1868 tot 1871 ontving hij voor zijn vertalingen van de fabels van De la Fontaine en Miltons Paradise Lost respectievelijk 2000 en 2500 gulden, voor zijn berijming van de Psalmen zelfs 3000 gulden. Dat laatste bedrag was hoger dan zijn jaarlijks traktement als dominee in Amsterdam, één van de meest lucratieve gemeentes wat dat betreft: dat bedroeg 2735 gulden.

Toe-eigening als vertaalpoëtica
In zijn vroege bundels, debuutbundel Gedichten uit 1836 en zijn eerste anthologie met vertalingen Vertaalde poëzy (1839), zijn veel vertalingen opgenomen van de Britse romantici MacPherson, Byron, Scott, Moore en Burns. Het lijkt een vreemde keuze voor een man van orthodox-protestantse snit, maar Ten Kate volgde hiermee de canon van de Leidse romantici en byronisten als Nicolaas Beets. Waar dezen zich achteraf genoodzaakt voelden om afstand te nemen van wat zij als een jeugdzonde beschouwden, bleef Ten Kate zijn vertalingen hergebruiken en publiceren. Voor hem gold steevast dat hij zich het werk van de romantici probeerde toe te eigenen door het als christelijk te presenteren. Bij de eerste publicatie in 1839 van zijn vertaling van een deel van Thomas Moores oosterse romance Lalla Rookh, ‘Paradijs en de peri’, gaf Ten Kate een uitgebreide toelichting die terugging op een van zijn voordrachten. Hij loofde Moore, die het als enige van de moderne poëten die ‘het weelderig Oostersch klimaat tot eene lustplaats hunner verbeelding’ hadden gemaakt, ‘bewaard [was] in het ware karakter der Oostersche poëzy door te dringen’, al bezat dan zijn ‘pen, hoe vlug en verbeeldingrijk, diepte noch hartstocht’ (een verwijt dat Ten Kate zelf ook geregeld toegeworpen kreeg). ‘Het Paradijs en de peri’ achtte Ten Kate ‘allerbevalligst’:

’t is geheel in den smaak der Arabische fictie, elegant, vol geest en blinkende van schoonheid; terwijl de moraal die het ademt, overredend, zuiver, en, zonder op te houden Oostersch te blijven, geheel met de stellingen der Christelijke godsdienst in harmony is.

Van een dergelijke vorm van toe-eigening was ook sprake in Shakspere ingeleid in den Christelijken Kring (1882), een boek dat afgaand op het omslag een werk van Ten Kate lijkt te zijn, alleen zíjn naam wordt vermeld, maar blijkens het titelblad een bewerking is van een ‘populaire beschouwing van eenige van zijn voornaamste treurspelen in ’t licht des Evangelie’s’ van de hand van de Duitse dominee Moritz Petri. Dat was op zich al een daad van toe-eigening. Ten Kate volgde de redenering, die hij eerder al in leerstellige werken als Christendom en poëzy (1871) voor het voetlicht had gebracht, dat alle poëzie in wezen een christelijke kern bevat en dat Shakespeare

wèl waarlijk de Christelijke opvatting der zonde [heeft] gedeeld, het wezen en den kern van het Evangelie, de blijde Boodschap der schuldvergevende Genade gekend en aan vele zijner drama’s ten grondslag gelegd, schoon dan verborgen als de fundamenten van het huis, die er wèl zijn al liggen zij niet bloot voor het oog.

Uit de constatering dat de ‘maatstaf des levens’ bij Shakespeare christelijk zou zijn, leidde Ten Kate automatisch af dat ‘zijn drama’s stich[t]ten’.
Dat het om een ‘bewerking’ van het uit 1868 stammende origineel gaat, blijkt uit het feit dat Ten Kate de vele korte en lange citaten zelf op basis van de oorspronkelijke teksten van Shakespeare had vertaald. Bij de beroemde monoloog van Hamlet doet Ten Kate wonderlijk genoeg een stapje opzij en gebruikte hij de vertaling in vijfvoeters van Bilderdijk uit 1783, terwijl hij in zijn Panpoëticon uit 1860 toch een eigen versie had gepubliceerd. Opmerkelijk is ook dat Ten Kate zijn doelpubliek (‘Christelijken Kring’) ruimer nam dan Petri, die zich richtte tot de ‘christliche Familie’ maar zijn boek expliciet een geschenk noemde voor ‘Frauen und Jungfrauen’.

Het paradijs verloren
Zo christelijk was Shakespeare toch ook weer niet dat Ten Kate de behoefte had gevoeld om zich aan een volledig toneelwerk te wagen, het bleef bij vertalingen van fragmenten. De vertalingen waren in rijmloze vijfvoetige jamben gesteld, wat binnen Ten Kates referentiekader een opmerkelijke keuze mag heten. Bij een van de werken die hem als orthodox gelovige toch het meest na moeten hebben gelegen, Paradise Lost van John Milton, maakte hij die keuze dan weer niet. Alle twaalf boeken vertaalde hij in rijmende alexandrijnen, een terugval op een literaire norm die op het moment van verschijnen allang achterhaald was. Hij beriep zich daarbij op Bilderdijk en noemde deze versvorm ‘de Koning onzer Nederlandsche metra’. De keuze voor de alexandrijn rechtvaardigde hij met het poëticale uitgangspunt dat hij gedaan had wat hij kon ‘om zóo te dichten als ik meende dat de Britsche Homeer’ zou gedaan hebben, ware hij de Hollandsche Homeer’ geweest’. De vergelijking met Homerus trok hij ook door in sommige vertaalkeuzes. De eerste regel van het vijfde Boek van Miltons epos bijvoorbeeld, ‘Now Morn her rosy steps in th’Eastern Clime/ Advancing’, vertaalde Ten Kate met ‘Met rozenvingren trok de Morgen ’t nevelgrauw/ In ’t Oosten weg’ en bracht aldus een sterker verband aan met het beroemde epitheton uit de Odyssee.
De vrijheid tot toe-eigening die hij op verstechnisch gebied nam, stond hij zichzelf niet toe op het gebied van de theologie. Hoewel hij erkende dat Miltons ‘Cosmologie en Theologie’ verouderd waren, stelde hij dit:

De statige Dom mocht niet gemoderniseerd, maar behouden blijven tot in de steenen demonen en monsters der goten. – En waarom zou de Christelijke mythologie onzes Dichters na twee eeuwen haar recht van bestaan en hare aanspraak op aesthetische bewondering verloren hebben?

Daarmee leek het alsof hij aan Paradise Lost een eerder literaire dan religieuze waarde toekende, hoezeer dat ook indruiste tegen zijn religieuze poëtica.

Vertaling nam dus in zijn bezigheden een belangrijke plaats in, naar Goethe noemde hij vertalen in zijn inleiding bij het Duitse deeltje Bloemen uit den vreemde ‘een der gewichtigste bezigheden van het algemeen waereldverkeer’. Een belangrijk motief om te vertalen, zo stelde hij, was ‘geesten met geesten in aanraking’ te brengen, nieuwe gezichtspunten aan te reiken en de ‘horizont der kennis’ te verbreden. Maar net als bij zijn oorspronkelijke werk, gold ook voor de vertalingen dat ze altijd schatplichtig waren aan het hogere, religieus gefundeerde doel van stichting en verheffing. Ten Kate was toch meer dominee dan dichter. Hij bleef een volbloed vertegenwoordiger van de ‘Protestante Natie’, al kalfde die aan alle kanten om hem heen af.

Cees Koster

Dit is een licht gewijzigde versie van een hoofdstuk dat eerder verschenen is in Vertalen in de Nederlanden. Een cultuurgeschiedenis.


Gebruikte literatuur

Berg, W. van den & P. Couttenier. 2009. Alles is taal geworden: geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800-1900. Amsterdam.

Bos, D.J. 1999. In dienst van het koninkrijk. Beroepsontwikkeling van hervormde predikanten in negentiende-eeuws Nederland. Amsterdam.

Brink, J. ten. 1888-1889. Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de XIXe eeuw. 3 delen. Amsterdam, deel 3, 1-50

Korteweg, A. & W. Idema. 1978. Vinger Gods wat zijt gij groot. Amsterdam.

Laurillard, E. 1890. ‘Levensbericht van Jan Jacob Lodewijk ten Kate’, in: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, te Leiden, over het jaar 1889-1890, in het gebouw van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Leiden.

Niewenhous, W.C. 1930. ‘Paradise Lost in Dutch’, Tijdschrift voor Taal en Letteren xviii, 89-120.

Ploeger, L. 2005. Verwijding van de horizon der kennis. J.J.L. ten Kate als vertaler. Doctoraalscriptie Universiteit Utrecht.

Ploeger, L. 2007. ‘Tussen christendom en poëzie. J.J.J. ten Kate als vertaler’, Filter 13:2, 49-54.

Popma, T. 1928. Byron en het Byronisme in de Nederlandse letterkunde. Amsterdam.

Terug naar overzicht >>>