Willem Bilderdijk, 1756-1831

Willem Bilderdijk is zonder meer een van de meest kleurrijke figuren uit de Nederlandse literatuur, maar behalve door een kleine kring liefhebbers wordt zijn werk niet of nauwelijks gelezen. Dat is ook moeilijk, want op een enkele uitzondering na is het oeuvre niet beschikbaar in toegankelijke, moderne edities. Toen Rick Honings en Peter van Zonneveld in 2013 onder de ironische titel De gefnuikte arend een vuistdikke, vermakelijke biografie publiceerden, was daar in de pers zeker belangstelling voor, maar het heeft niet geleid tot een hernieuwde populariteit van de gekwelde dichter.1 Ook het feit dat het Leidse Academiegebouw sinds 2020 een Bilderdijkkamer kent, waar een deel van de collectie van het voormalige Bilderdijk-Museum (tot voor enkele jaren gevestigd in het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit te Amsterdam) is ondergebracht, bewijst niet dat de studie van dit oeuvre springlevend is. Niettemin is er alle reden om er aandacht aan te besteden, al is het alleen vanwege de verbluffende omvang en veelzijdigheid ervan. Misschien is Bilderdijk geen Goethe, maar in de eerste helft van de negentiende eeuw gold hij, niettegenstaande zijn excentrieke en tegendraadse persoonlijkheid, binnen ons taalgebied als een reus temidden van dwergen.2 Bilderdijk was echter niet alleen een markant dichter, maar ook een uiterst productief vertaler. Dit vertaalwerk, dat een organisch onderdeel van zijn oeuvre uitmaakt, is nog niet in zijn samenhang bestudeerd. Dat is jammer, niet alleen omdat het vaak om bijzondere teksten gaat, maar ook omdat Bilderdijk, hoe idiosyncratisch zijn vertalingen ook zijn, in veel opzichten een typische representant van zijn tijd is.

Biografie
Willem Bilderdijk werd op 7 september 1756 in Amsterdam geboren als tweede zoon van een arts met literaire aspiraties, die in datzelfde jaar zijn slechtlopende medische praktijk zou opgeven om belastingambtenaar te worden. Hoewel we Bilderdijks autobiografische mededelingen met voorzichtigheid moeten hanteren, kunnen we ervan uitgaan dat hij al zeer jong leerde lezen en schrijven. Als kleuter maakte hij zich het Frans eigen, niet lang daarna volgden het Latijn, het Grieks, het Italiaans, het Duits en het Engels. In juli 1762 liep hij bij het buitenspelen een verwonding aan zijn linkervoet op, die door zijn vader niet vakkundig werd behandeld, met als gevolg een ernstige ontsteking die hem ruim tien jaar aan huis zou kluisteren. Al die tijd kon hij niet naar buiten en ging hij niet naar school, zodat hij geïsoleerd opgroeide en zich slechts via boeken een beeld vormde van de wereld om hem heen. Hij las, verdiepte zich in uiteenlopende wetenschappen, begon toneelstukjes en poëzie te schrijven en bekwaamde zich in tekenen en kalligrafie. Mogelijk had hij toen al last van slapeloosheid en depressies, in elk geval keek hij later terug op een doodongelukkige jeugd.
Vanaf 1776, toen hij inmiddels wat mobieler was geworden, werkte hij een aantal jaren als boekhouder op het kantoor van zijn vader, om in 1780 rechtsgeleerdheid te gaan studeren in Leiden. In de tussentijd had hij al naam gemaakt als dichter, door mee te doen aan enkele prijsvragen. Bilderdijk lijkt met volle teugen van het studentenleven genoten te hebben, al heeft hij in die korte tijd ook ontzagwekkend veel gelezen, wat hij gewoonlijk ’s nachts deed. In oktober 1782 promoveerde hij, in het Latijn uiteraard, waarna hij zich als advocaat in Den Haag vestigde. Het waren politiek roerige tijden, waarin republikeinse patriotten en prinsgezinden elkaar fel bestreden. Als vurig orangist verdedigde Bilderdijk enkele beruchte oproerkraaiers, van wie de Rotterdamse ‘Kaat Mossel’ de bekendste is geworden.

Portret van Catharina Rebecca Bilderdijk-Woesthoven. Met dank aan het Literatuurmuseum.

In 1784 maakte hij kennis met Catharina Rebecca Woesthoven, met wie hij in juli 1785 trouwde; zij was toen al hoogzwanger. Het zou geen gelukkig huwelijk worden. Bilderdijk kon absoluut niet met geld omgaan en stelde seksuele eisen waaraan zijn vrouw niet kon of wilde voldoen. Recent onderzoek heeft vastgesteld dat hij haar geregeld mishandelde. Van de kinderen die uit deze verbintenis werden geboren, zou alleen de oudste dochter, Louise, haar vader overleven.
Toen in 1795 de Fransen het land binnenvielen en Bilderdijk weigerde een loyaliteitsverklaring te ondertekenen, zag hij zich gedwongen in ballingschap te gaan. Hij liet vrouw, kinderen en schuldeisers achter in Den Haag en reisde via Groningen en Hamburg naar Londen, waar prins Willem V met zijn gezin was neergestreken. Bilderdijk maakte er kennis met de Nederlandse schilder Hendrik Willem Schweickhardt, op wiens dochter Katharina Wilhelmina, toen negentien jaar oud, hij verliefd werd. Er ontspon zich een geheime verhouding, en toen hij in 1797 naar Duitsland vertrok om zich in Brunswijk te vestigen, volgde zij hem spoedig, al zou het nog vijf jaar duren voordat ze gingen samenwonen: pas in februari 1802 scheidde Bilderdijk officieel van Catharina Rebecca. De verbintenis met Katharina Wilhelmina (die zich ook ging manifesteren als dichter en vertaler3) was intens en hartstochtelijk, maar op hun talrijke nageslacht rustte geen zegen: alleen de jongste zoon, Lodewijk, was bij Bilderdijks overlijden nog in leven. Bilderdijk en Katharina Wilhelmina zouden nooit officieel in het huwelijk treden.
Tijdens zijn ballingschap voorzag Bilderdijk in zijn levensonderhoud door privélessen te geven in uiteenlopende vakken. Intussen onderhield hij contacten met literatoren en geleerden in Nederland, hetgeen resulteerde in de publicatie van diverse dichtbundels. Merkwaardig genoeg verdiepte hij zich niet in de Duitse literatuur, zodat de opkomst van de Romantische beweging hem goeddeels ontging. Toen hij in maart 1806 in Holland terugkeerde, ging hij in Leiden wonen; zijn gezin zou zich pas enkele maanden later bij hem voegen.
Die zomer werd Nederland een koninkrijk. Bilderdijk maakte kennis met Lodewijk Napoleon en trad bij hem in dienst als docent Nederlands, bibliothecaris en juridisch adviseur; hij kreeg onder meer de opdracht Franse wetboeken in het Nederlands te vertalen. Nadat in 1808 het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten was opgericht, de voorloper van de KNAW, werd Bilderdijk actief in de Tweede Klasse daarvan, die zich bezighield met ‘Hollandsche Letterkunde en Geschiedenis’. In dat kader besteedde hij veel aandacht aan Middelnederlandse literatuur.
Bilderdijk had heel graag ergens een leerstoel willen bekleden, maar omdat hij bekendstond als een extreem behoudende man met een onmogelijk karakter, gingen diverse professoraten aan hem voorbij. Weliswaar kreeg hij verscheidene malen jaarlijkse toelagen toegekend, door onder anderen de hertog van Brunswijk, koning Lodewijk Napoleon en koning Willem I, toch zag hij zich steeds genoodzaakt bezigheden te zoeken waarmee hij geld kon verdienen. Het hielp niet dat hij, zijn hele leven al, vaak doodziek was (al zat daar een flinke dosis hypochondrie bij), veel te weinig sliep, zijn kwalen bestreed met opium, met iedereen ruzie maakte, het ene kind na het andere moest begraven en zich in geen enkel huis op zijn gemak voelde, met een onafzienbare reeks verhuizingen als gevolg; hij woonde, behalve in Leiden, ook in Den Haag, Katwijk en Amsterdam. In 1811 zat hij zozeer aan de grond dat hij zelfs failliet werd verklaard. Het weerhield hem er niet van steeds opnieuw een forse bibliotheek te verwerven. En intussen publiceerde hij ontzagwekkende hoeveelheden poëzie, die op grote waardering kon rekenen.
Vanaf 1817 begon hij in Leiden aan een klein gezelschap studenten privaatcolleges in de Vaderlandse Geschiedenis te verzorgen (de collegedictaten zijn na zijn dood uitgegeven). Er ontstond een klein clubje van trouwe aanhangers, onder wie Isaäc da Costa en Abraham Capadose de bekendste zijn geworden. Het gezelschap wordt wel beschouwd als voorloper van het Réveil, de calvinistische beweging waaruit aan het einde van de negentiende eeuw de Gereformeerde Kerken zouden voortkomen. Hij zou die lessen, met enige onderbrekingen, tot 1825 geven, maar daarna namen zijn krachten behoorlijk af. In 1827 verhuisde hij naar Haarlem. Nadat Katharina Wilhelmina in april 1830 was overleden, zakte Bilderdijk weg in somberheid en toenemende dementie, die verergerd werd door zijn opiumverslaving. Hij overleed op 18 december 1831.

Oeuvre en visie
Bilderdijks productie was enorm. Hij publiceerde tientallen dichtbundels, waarin hij alle genres bestreek, van epos en leerdicht tot satire, romance en lyriek.4 De eerste sciencefictionroman uit ons taalgebied is van hem: Kort verhaal van eene aanmerklijke luchtreis, en nieuwe planeetontdekking (1813). Hij schreef boeken over rechtsgeleerdheid (in het Latijn), over geologie, over de Grondregelen der perspectief of doorzichtkunde, en tal van lijvige essays over taal en literatuur.5 En dan hebben we het niet eens over zijn honderden brieven, waarvan nog slechts een gedeelte is uitgegeven. In Hogere sferen (1998) heeft Joris van Eijnatten een zeer grondig overzicht gegeven van Bilderdijks intellectuele achtergrond, zijn visies op literatuur, godsdienst, politiek en wetenschap.6 Daaruit rijst het beeld op van een door en door conservatieve en hartstochtelijk religieuze man met een expressieve poëtica (Bilderdijk propageerde het gevoel als bron van poëzie, maar wantrouwde de verbeelding) en een merkwaardige hang naar theosofische denkbeelden – dit alles gestoeld op een imposante eruditie, die echter geen voeling hield met eigentijdse wetenschap, filosofie en kunstbeschouwing. Een Romanticus was hij zeker niet, zijn versificatie was achttiende-eeuws classicistisch, maar de heftige uitbarstingen van gevoel, of het nu ging om woede, verliefdheid, maatschappelijke ergernis of verdriet, maken zijn poëzie uniek en direct herkenbaar.7 Bilderdijk was onmatig in alles.

Vertalingen
Een aanzienlijk deel van Bilderdijks oeuvre bestaat in vertalingen. Als kind bekwaamde hij zich al in het vertalen, zijn eerste zelfstandige publicaties waren vertalingen, en ook in zijn laatste levensjaren liet het ambacht hem niet los. Hij vertaalde uit het Grieks, Latijn en Hebreeuws, uit (onder meer) het Frans, Engels, Duits, Italiaans, Deens, Fries, Spaans en Portugees, en indirect uit het Perzisch en Arabisch.8 In 1859 verscheen een bibliografisch overzicht van zijn vertaalde poëzie, samengesteld door Mr. J. Pan.9 Het is niet helemaal compleet, bovendien besteedt Pan geen aandacht aan vertaald proza en evenmin aan uitsluitend in handschrift bewaard gebleven vertalingen.10 Overigens valt de grens tussen vertaling en bewerking of navolging bij Bilderdijk niet altijd duidelijk aan te geven, want de dichter veroorloofde zich aanzienlijke vrijheden.
Wat Bilderdijk aan proza vertaalde, lijkt vooral bedoeld te zijn geweest om geld te verdienen. Het gaat hier (los van de uit het Frans vertaalde wetboeken) vooral om een vijftal werken van theologische of theosofische aard, niet om literatuur in engere zin. De poëzievertalingen bestrijken daarentegen vele genres, perioden en cultuurgebieden. Soms nam Bilderdijk losse (reeksen van) vertaalde gedichten op in zijn reguliere dichtbundels, soms werden het zelfstandige publicaties. Tot die laatste categorie behoren, in chronologische volgorde, onder meer vertalingen van Sophocles’ Oedipus Rex (1779), de Griekse lyricus Tyrtaeus (1787), het leerdicht L’Homme des Champs van Jacques Delille (1803),11 de zangen van Ossian (1805),12 hymnen en epigrammen van Callimachus (1808),13 satiren van Persius (1820), de aan Homerus toegeschreven Batrachomyomachia (1821), de Cycloop van Euripides (1828) en een deel van de Metamorfosen van Ovidius (1829). Onder de in diverse dichtbundels opgenomen vertalingen vallen vooral de vele carmina van Horatius op, alle poëzie uit Boëthius’ De consolatione Philosophiae,14 nogal wat gedichten van (of toegeschreven aan) Anacreon, een aantal balladen uit Thomas Percy’s Reliques of Ancient English Poetry en meer dan 25 Psalmen. Maar het aantal auteurs van wie Bilderdijk gedichten heeft vertaald overschrijdt, als we afgaan op de lijst van Pan, de tweehonderd. Een ruwe schatting leert dat Latijn zijn favoriete brontaal was, met Horatius als meest geliefkoosde dichter; enkele van diens gedichten vertaalde hij meer dan eens.15
Bilderdijks poëzievertalingen moeten gezien worden als integraal onderdeel van zijn dichterlijk oeuvre. Hij was een compulsief dichter, voor wie het smeden (of uitstorten) van verzen een eerste levensbehoefte was, en daarbij maakte het hem niet wezenlijk uit of het om oorspronkelijk werk ging of om de weergave van c.q. reflectie op werk van vereerde, bewonderde of zelfs verguisde voorgangers in andere talen. In het geval van dichters die hij eigenlijk niet goed vond, zoals Delille, zag hij er geen been in de tekst flink aan te passen en het origineel in de aantekeningen min of meer af te serveren.
Hij vertaalde zoals hij zijn eigen poëzie schreef: woordrijk, expliciet en vol herhalingen, vaak barok in zijn woordkeus, zelden subtiel, doorgaans op hoge toon, vol hyperbolen, en dit alles bij voorkeur in classicistische alexandrijnen of in strofen met rijmende jambische regels van meestal vier heffingen; klassieke versmaten, zoals ingezet door Duitse collega’s als Schiller en Hölderlin, waren aan hem niet besteed. Daarbij bracht hij de tekst naar de lezer toe in plaats van omgekeerd, in die zin dat er vaak weinig of niets overbleef van cultuurspecifieke elementen uit de brontekst. Of het nu Horatius betreft of Byron, Lamartine of de dichter van de Psalmen, ze klinken allemaal precies zoals Bilderdijk doet in zijn eigen poëzie.

Vertaalopvattingen
Over het vertalen heeft Bilderdijk zich het meest uitvoerig uitgelaten in de voorwoorden van zijn afzonderlijke bundels.16 De eerste keer dat hij erop ingaat, is in de ‘Voorafspraak’ van Sophocles’ Edipus, koning van Thebe (1779). Hij zet zich daar af tegen Vondel, die volgens hem niet voldoende Grieks kende om zich aan dit stuk te wagen, bovendien zou de oude bard te angstvallig letterlijk hebben vastgehouden aan wat hij dacht dat er stond. Zo niet Bilderdijk:17

Mijn navolging daar tegen verbindt zich niet aan de woorden, maar aan den  zin, en mijne aanhoudende zorg is geweest, die denkbeelden, welke mijn Schrijver mij opgaf, getrouw en in volle kragt mijnen Lezeren over te dragen; het zij dan dat mij het onderscheid der talen eene uitbreiding; het zij dan dat het eenige inkorting, of zelfs de geheele verschikking van eenigen volzin scheen te vereischen; het zij eindelijk dat de zeden en tijden mij tot eenige meerdere of   mindere afwijking noodzaakten. Want hoe mogt ik in mijne Lezeren een meer dan algemeene kennis van de bijzondere gebruiken der Grieken onderstellen, daar een naauwkeuriger kunde in dezelve, niet dan uit bronnen geput kan worden, hun-alleen, voor wie dees mijn arbeid nutloos en overtollig, en dus geenszins geschikt is, toegangklijk?

Bilderdijk vertaalt, kortom, niet voor in de materie ingevoerde vakgenoten, maar voor geïnteresseerde leken, die geacht worden de Griekse tragedie tot zich willen te nemen als betrof het een stuk uit hun eigen tijd.
Een kleine dertig jaar later, Bilderdijk is inmiddels de vijftig gepasseerd, benadrukt hij in de ‘Voorrede’ van Kallimachus Lofzangen (1808) het belang van vertalen als vingeroefening voor beginnende dichters. Hij geeft toe dat zijn weergave van Callimachus misschien eerder een bewerking is dan een vertaling, voortgekomen uit de behoefte zich te ontspannen en ‘ingericht om Kallimachus op mijne wijze te smaken en te genieten, en niet om hem aan anderen te doen kennen zoo hy is’. Over het nut van vertalen zegt hij hier het volgende: 18

[…] de eigenlijk Vertaling moge den aankomenden Dichter nuttig zijn, om zich eene zoodanige buigzaamheid van stijl en uitdrukking te verkrijgen als hy niet ontbeeren kan. Zy moet hem dienen, om de eigenlijke kracht en vatbaarheid van de taal, waar hy in schrijven wil, te leeren kennen; en het is hem niet genoeg aan te raden, zich daar onvermoeid mede bezig te houden. Maar zoo zeer ik in mijn’ eersten tijd daar het nut van gezien en ondervonden heb, somwijlen twintig- en meermalen een zelfde Stuk uit de Oudheid in Hollandsche verzen vertalende, (niet om Poeet te worden, want dit maakt ons geen vlijt of arbeidzaamheid; maar om ’t werktuig, waar van ik my als Poeet bedienen moest, meester te worden, en dit niet over my en de stoffen mijner bewerking te laten heerschen) heb ik echter nooit iets daarvan het licht waardig geoordeeld.

Blijkbaar is vertalen voor Bilderdijk in de allereerste plaats een middel om de eigen taalvaardigheid en stijl te ontwikkelen en te verfijnen. Een vertaling is er voor de vertaler, pas in de tweede plaats voor lezers. De brontekst lijkt hoogstens een uitgangspunt te zijn dat ten dienste staat van (de formele kant van) het dichterschap van de vertaler.
Weer twintig jaar later maakt hij in het ‘Voorberigt’ tot zijn Proeve eener navolging van Ovidius ‘Gedaantverwisselingen’ (1829) een onderscheid tussen de vertaling in eigenlijke zin en de navolging, waarmee hij een vrije vertaling bedoelt:19

Dusdanige […] is dan ook deze die u hier voorgelegd of (begeert men het dus) aan wordt geboden, den Latijnschen Voorganger op den voet volgende, edoch zonder juist altijd en alom in elken byzonderen voetstap te treden. Voorgelegd, zeg ik, of aangeboden, doch blootelijk en alleen in een Proeve, de vrucht en vervulling van eenige ledige uren, tot niets anders aan te wenden; maar die ik my voorstelde dat (eenmaal bestaande,) ook by anderen welkom konde zijn tot eene ontspanning van geest als ik er in vond.

Zo ambitieus en compromisloos als Bilderdijk in zijn eigen poëzie is, zo bescheiden is hij bij het presenteren van zijn vertalingen. Vingeroefeningen zijn het, of de vruchten van ontspanning, en voor zover Bilderdijk zijn best heeft gedaan om er goede gedichten van te maken, is het resultaat precies dat: goede gedichten van Bilderdijk.

Praktijk
Laten we tot slot kort een typerend voorbeeld bekijken. In carmen I.23 spreekt de persona van Horatius een zekere Chloë toe, een jong meisje wier naam ook ‘jonge scheut’ betekent. Je ontloopt me, zegt de dichter, als een reekalfje dat angstvallig in de buurt van haar moeder blijft omdat het terecht weet dat er overal gevaar schuilt. Zo schrikt het van ieder geluid, of het nu gaat om een briesje in het loof of hagedissen tussen de braamstruiken. Maar wees niet bang, Chloë, ik ben geen tijger of leeuw, dus neem nu eens afstand van je moeder: het wordt tijd voor een man. Horatius heeft hier drie strofen van vier regels voor nodig, 52 woorden in totaal.
Bilderdijks versie, gepubliceerd in 1824, trekt er acht strofen van zes regels voor uit, dus viermaal zoveel als de brontekst.20 Bilderdijks eerste twee strofen blijven vrij dicht bij de eerste twee van het Latijn, maar daarna kiest de vertaler een andere richting. Waar de ik bij Horatius door te benadrukken dat hijzelf ongevaarlijk is suggereert dat hij het meisje graag zo snel mogelijk zou willen bespringen, roept Bilderdijk haar toe dat ze er zo snel mogelijk vandoor moet gaan. Slangen, tijgers, arenden en leeuwen zijn lang niet zo gevaarlijk als de man die ‘in ’t slingrend loof der elzen / Door ’t net van ’t zedenloos omhelzen / De maagdlijke onschuld snood verrast, / en dartlend in heur tranen plascht’. Je kunt niet genoeg op je hoede zijn voor aanranders, roept Bilderdijk, om vervolgens nog drie strofen lang te illustreren hoezeer ‘’t Is al bezoedeld met verraad’. Dat geldt zelfs voor de zucht van het meisje, dat blijkbaar niet in de gaten heeft hoe riskant haar eigen, nog onbewuste verlangens zijn.  Het gedicht eindigt dan ook met een goede raad die haaks staat op het slot van de brontekst: ‘Ja vlied, ja vlied, ô teedre maagd, / Als ’t schuchtre rhee door angst gejaagd!’

Nog een paar opmerkingen over details. Dat Chloë nog maagd is, wordt door Horatius wel geïmpliceerd maar niet met zoveel woorden gezegd. Bilderdijk doet dat al in de eerste regel, waar hij haar naam vervangt door het ‘lieve teedre maagd’ waarmee hij ook eindigt. Niet gehinderd door enige kennis van de natuur veronderstelt hij dat de ‘moederhinde’ over een hol beschikt. Een lentewind wordt een ‘Westenwindtjen’ en de aanwezigheid van de hagedis wordt verklaard door zijn behoefte de hitte van de middag te ontduiken. Rijmdwang is Bilderdijk niet vreemd, zoals bleek uit de hierboven geciteerde regels. Ten slotte, we zagen het al, is Bilderdijks gedicht cyclisch opgebouwd. Dat is iets wat Horatius nooit doet.
Natuurlijk gaat Bilderdijk niet altijd zo ver als in dit gedicht. Toch is het kenmerkend voor zijn methode. De brontekst is er voor hem, niet omgekeerd.

Nader onderzoek
In de afgelopen twee eeuwen is er het nodige over Bilderdijks vertaalwerk geschreven, maar de meeste studies zijn verouderd (en soms moeilijk toegankelijk), bovendien bieden ze, doordat onderzoekers ingaan op een specifieke brontaal, een versnipperd beeld. Analyses zoals ondernomen in de paragraaf hierboven zijn zeldzaam. Daarnaast zou het de moeite waard zijn Bilderdijks vertaalpraktijk te confronteren met die van zijn tijdgenoten.21

Piet Gerbrandy


1. Honings, Rick & Peter van Zonneveld, De gefnuikte arend. Het leven van Willem Bilderdijk, Amsterdam 2013.

2. Vanaf 1984 verscheen het aan de Bilderdijkstudie gewijde tijdschrift Het Bilderdijk-Museum, steeds een nummer per jaar; in 2020 kwam daarvoor het Jaarboek Bilderdijk in de plaats.

3. Het meest substantieel is haar vertaling van het epos Roderick the Last of the Goths van Robert Southey (1814), als Rodrigo de Goth, twee delen (1823-1824). Vermeldenswaard is ook Ifigenia in Aulis, naar Racine. Het werk van Katharina is in drie delen toegevoegd aan DW, zie noot 4.

4. De meest gangbare editie is die van Isaäc da Costa, De Dichtwerken van Bilderdijk, vijftien delen, Haarlem 1856-1859 (afgekort DW).

5. Een uitputtende bibliografie van het oeuvre is samengesteld door L.T. Monfils, Willem Bilderdijk Bibliografie, Amstelveen 2006. Het boek vermeldt ongeveer 450 zelfstandige publicaties en 250 publicaties in jaarboeken en tijdschriften en dergelijke.

6. Eijnatten, Joris van, Hogere sferen. De ideeënwereld van Willem Bilderdijk (1756-1831), Hilversum 1998.

7. Over zijn poëtica zie vooral Willem Bilderdijk, De kunst der poëzy, ingeleid en van aantekeningen voorzien door W. van den Berg & J.J. Kloek, Amsterdam 1995.

8. Diederik Grit heeft een substantieel hoofdstuk in zijn proefschrift over Bilderdijk en Denemarken en commentaar op zijn vertalingen uit het Deens: Diederik C. Grit, Driewerf zalig Noorden. Over literaire betrekkingen tussen de Nederlanden en Scandinavië. Maastricht: UPM, 1994. Zie hoofdstuk III: Bilderdijk en Denemarken, pp. 53-71.

9. Pan, Mr. J., ‘Aanwijzing der oude en nieuwere dichters door Mr. W. Bilderdijk en Vrouwe K.W. Bilderdijk overgebragt of nagevolgd. Met aanteekeningen’, in: DW XV (Haarlem 1859) 317-554.

10. De meest omvangrijke verzameling handschriften is opgenomen in de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, die in de Universiteitsbibliotheek aldaar berust.

11. Zie Smit, J., Bilderdijk et la France, Amsterdam 1929, 110-122.

12. Zie Daas, Q.W.J., De gezangen van Ossian in Nederland, Nijmegen 1961, 75-84, 155-161.

13. Zie Gerbrandy, Piet, ‘Geen geweld van ijdel klankgejoel. De Kallimachos-vertalingen van Willem Bilderdijk’, in: idem, Een steeneik op de rotsen, Amsterdam 2003, 34-43, 312-313.

14. Bilderdijk begon ook aan een vertaling van dat werk als geheel, maar slaagde er niet in deze te voltooien. Zie Gerbrandy, Piet, ‘Een gestrand project. Bilderdijks vertaling van Boëthius’, in: Rick Honings & Gert-Jan Johannes, Een sublieme nalatenschap. De erfenis van Willem Bilderdijk, Leiden 2020, 51-60.

15. Zie Gunning Wz., J.H., ‘Horaz und Bilderdijk’, in: Mnemosyne 3rd series vol. 4 nr. 2 (1936) 95-108;   Gerbrandy, Piet, ‘Bilderdijk en de Nederlandse Pindarus-receptie’, in: Het Bilderdijk-Museum 5 (1988) 1-9; idem, ‘Horatian Odes in the Netherlands: Mr. Willem Bilderdijk (1756-1831)’, in: Chevallier, R. (ed.), Présence d’Horace, Tours 1988, 97-108.

16. Deze zijn opgenomen in DW XV.

17. XV, 18-19.

18. DW XV, 134-135.

19. DW XV, 248.

20. DW VIII, 276-277. Het aantal woorden is zelfs bijna zesmaal zo groot.

21. Bilderdijk komt wel geregeld aan bod in Korpel, L.G., Over het nut en de wijze der vertalingen. Nederlandse vertaalreflectie (1750-1820) in een Westeuropees kader, Amsterdam/Atlanta GA 1992.