Maximiliaan August Schwartz, 1884-1973

Classicus Max Schwartz was een veelzijdig geleerde, een gedreven docent en beminnelijke rector. Pas op latere leeftijd, vanaf 1951, publiceerde hij vertalingen van de belangrijkste Griekse en Romeinse verhalende schrijvers, zoals de Ilias en Odyssee van Homerus en de Aeneis van Vergilius die nog steeds herdrukt worden. Uit zijn aanpak en stijl blijkt dat hij de moderne tijd van de wederopbouw perfect aanvoelde: hij zocht en vond een nieuw publiek, dat wel geïnteresseerd was in de klassieke oudheid maar er niet of amper mee was opgegroeid.

English>>> 

Karel, Sander en Henri Schwartz, hun (stief)moeder Elisabeth, Maarten Maartens, Carl Schwartz, Maartens’ dochter Ada, Max Schwartz.

Opleiding en ontwikkeling
De vader van Max, Carl Schwartz (1848-1909), een classicus van Duitse afkomst die in Utrecht had gestudeerd, was rector van het kleine gymnasium in Doetinchem waar zijn zoon schoolging. Zijn moeder, Johanna Amelia Hora Siccama, werd al jong weduwe met een dochter en hertrouwde in 1876 met Carl Schwartz. Het echtpaar kreeg drie zoons; enkele dagen na de geboorte van Max stierf zijn moeder op 39-jarige leeftijd. Vier jaar later hertrouwde zijn vader met Elisabeth van den Heuvel tot Beichlingen gezegd Bartolotti Rijnders, ‘de mater’ zoals de jongens haar noemden. Uit dit huwelijk werd nog een zoon geboren. Ook een van Max’ grootvaders had kinderen uit verschillende huwelijken, en zodoende groeide hij op met vele grootouders, ooms en tantes, uit adellijke en patricische families (Nederlands Patriciaat 34, 1948). Max was zeer gesteld op zijn zeventien jaar oudere halfzuster Jet en haar man; hij bewonderde vooral zijn halfoom Josua / Joost (van der Poorten) Schwartz, internationaal bekend als de schrijver Maarten Maartens, met wie hij een heel goed contact had. De enige vooroorlogse vertalingen die Schwartz publiceerde betroffen Engelse novellen en enkele tweetalig afgedrukte gedichten van zijn oom. Maartens liet bij Doorn een kasteel bouwen, De Zonheuvel. Zijn dochter maakte het bij haar leven tot een ‘schoolbuitenhuis’ voor werkweken en conferenties, voor alle gezindten. Schwartz bezocht het in de jaren dertig en veertig geregeld met leerlingen uit de vijfde klas, zoals voor een weekend met het Nijmeegse schoolorkest en trof er bijvoorbeeld de pedagoog Kees Boeke van de vernieuwende school De Werkplaats.

In 1904 ging ook Max klassieke letteren studeren, in Leiden, waar hij in 1910 zijn doctoraalexamen behaalde en in 1917 bij J.J.G. Vürtheim cum laude promoveerde op een onderwerp uit de Griekse literatuur en geschiedenis. In 1911 trouwde hij met Florence Telders; het echtpaar kreeg twee dochters, Hank (Johanna Amelia, 1913-2000) en Janneke (Adriana Anna, 1916-2014). De oudste zou later trouwen met Frants Edvard Röntgen, zoon van de componist Julius Röntgen. Vóór 1926 had Schwartz, die een begaafd pianist was en wiens tweede, of misschien eerste, liefde de muziek gold, Julius Röntgen al een keer thuis ontvangen en horen spelen: ‘Niet hadden we toen kunnen vermoeden dat zijn zoon nog eens zou trouwen met mijn dochter’ (Schwartz 1996, 53). Zoals het doctoraalexamen de zekerheid had gegeven voor een huwelijk, zo legde zijn promotie de weg open naar een wetenschappelijke carrière of het rectoraat van een gymnasium. Schwartz koos het laatste: na vrij korte leraarschappen in Amsterdam, Leeuwarden en Leiden, werd hij in 1919 rector van het stedelijk gymnasium in Assen en in 1926 tot aan zijn pensioen in 1949 rector van het stedelijk gymnasium in Nijmegen – al solliciteerde hij in die jaren tweemaal vergeefs naar het rectoraat in Hilversum. Van mei 1942 tot december 1943 werd hij door de Duitse bezetter geïnterneerd in het kleinseminarie Beekvliet bij Sint-Michielsgestel. Hij onderwees er twee uur per week Grieks en ook Latijn aan medegevangenen.

Een jaar na het eindexamen van Max Schwartz, had zich op het Doetinchemse gymnasium een geruchtmakend conflict afgespeeld dat landelijke aandacht kreeg. Rector Schwartz en zijn meest begaafde leraar klassieke talen, de jonge, gedreven J.A. Dèr Mouw (1863–1919), later bekend als filosoof en vooral als de dichter Adwaita, stonden tegenover elkaar. Enerzijds ging het om onderwijspolitiek: het kleine Doetinchemse gymnasium had landelijk de reputatie dat ook minder begaafde jongens er hun eindexamen altijd wel konden halen, vooral als ze uit de gegoede kringen kwamen en bij een van de leraren in huis woonden, ook doordat eindexamenopgaven tevoren werden doorgespeeld. Deze praktijken stelde Dèr Mouw aan de kaak. Maar anderzijds was Max zelf inzet van een vrij dramatische strijd tussen zijn favoriete leraar, die (platonisch) verliefd op hem was, en zijn vader. Het resultaat was dat Dèr Mouw verdween uit Doetinchem en Max’ leven, en dat rector Schwartz vervroegd met pensioen ging. De precieze invloed van Dèr Mouw op Schwartz is moeilijk vast te stellen: in 1940 hield hij voor de Algemeene Nederlandsche Vereeniging voor Wijsbegeerte in Amsterdam een lezing over Dèr Mouw, met de vraag ‘wie was deze mensch?’ Hij prijst hem in alle opzichten en signaleert zijn streven naar het Absolute, maar de lezing blijft erg abstract. In zijn late autobiografie gaat Schwartz niet in op de gebeurtenissen van 1904, maar noemt wel de onvergetelijke Homeruslessen van Dèr Mouw – met Homerus begon Schwartz zijn echte vertaalcarrière –, en hoe hij twee jaar lang een paar maal per week bij hem aan huis kwam voor pianoles en onderwijs in Sanskriet en het lezen van Aeschylus’ Prometheus. ‘Ik heb veel aan hem te danken, onderwijs en wetenschap non scholae sed vitae’ (Schwartz 1996, 37-38). Wellicht was hij ook een inspiratie voor Schwartz’ omgang met zijn leerlingen in Nijmegen (zie onder).

Leerlingen van het Doetinchems gymnasium uit het schooljaar 1902-1903. Links naast Dèr Mouw Max Schwartz.

Onderwijs
Max Schwartz was een onderwijsman in hart en nieren: zijn eerste publicatie bestond uit een goed ontvangen brochure over het hoger onderwijs. Samen met Ezechiël Slijper schreef hij in 1931 een zeer populaire Griekse schoolgrammatica, waaruit hij ook zelf lesgaf – later was hij de auteur van Slijpers ‘Levensbericht’ voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Vanaf 1928 was hij, net als zijn vader voor hem, vele jaren lid van de staatexamencommissie voor de toelating tot de universiteiten. Met de Nijmeegse hoogleraar Frits van der Meer werkte Schwartz samen aan versies van diens nog steeds gebruikte Atlas van de antieke wereld. En zelfs in de jaren vijftig verscheen nog een aantal schoolboeken waaraan hij meewerkte of die hij geheel schreef. Ook na zijn pensioen gaf hij nog enkele jaren les in Nijmegen en tot 1962 aan het Marnixgymnasium in Ede, een instelling van openbaar én protestants-christelijk onderwijs. En op zijn achtenzeventigste (!) vroeg men hem aan de KU Nijmegen om gedurende een jaar (1962-63) de hoogleraar H.H. Janssen te vervangen voor Latijnse letterkunde.1 Schwartz zelf vermeldt met intense voldoening dat hij in 1971 en 1972 nog les heeft gegeven, dat laatste gehele jaar aan zeven eindexamenleerlingen (hij was toen 88), en dat allen waren geslaagd. Daaraan knoopt hij een tirade tegen de Mammoetwet vast, de wet op het hoger onderwijs van 1968 die onder andere een eind maakte aan de sterke voorkeurspositie van de klassieke talen (Schwartz 1996, 76-78).

‘het oorlam’, vers uit Schwartz’ ongepubliceerde bundel Dierkunde

Als rector kon Schwartz zijn vele talenten inzetten: hij was sportief en artistiek, een behendig dichter van light verse – zijn nagelaten bundel Dierkunde doet denken aan Trijntje Fop en Daan Zonderland –, die ook een aantal serieuze gedichten schreef, en vooral een uitnemend musicus. Vanaf 1923 reisde hij zo’n tien jaar lang ’s zomers naar Duitsland om enige weken les te nemen bij de beroemde pianist Carl Friedberg (1872-1955). In Nijmegen richtte hij direct het schoolorkest op dat hij ruim twintig jaar dirigeerde en begeleidde. Legendarisch op het Nijmeegs gymnasium was de musical Orpheus. Een parodie in tien toneelen, in 1918 door een Leids gymnasiast geschreven met hulp van Schwartz, die het stuk in 1930 geheel herschreef. Het waren vooral teksten van Vergilius en Ovidius die werden geparodieerd. Het stuk werd tot in 1969 vele malen opgevoerd (Den Dunnen 1996). Met sommige klassen hield Schwartz thuis ‘Thucydides-avonden’, waar deze Griekse historicus werd gelezen, maar ook klassieke muziek werd gedraaid, of hij las er met scholieren een Griekse tragedie. Ook leidde hij decennialang leeskringen van het Nederlands Klassiek Verbond. Al die activiteiten laten zien hoezeer Schwartz’ hart lag bij het onderwijzen en opvoeden van jongeren (en ouderen), vooral via een kennismaking met de klassieke oudheid door middel van vertalen. Zo herinneren ook zijn kleinkinderen zich hem: een beminnelijke, soms imponerende, grootvader, een grote man in een klein Fiatje met wie ze musiceerden en vol ontzag antieke teksten lazen (persoonlijke mededelingen van Michaëla Rammelt-Röntgen en Jurriaan Röntgen).

Vertalen: onderwijzen en vertellen
In 1948 overleed onverwacht Schwartz’ vrouw, pas 58 jaar oud. In 1949 ging hij met pensioen als rector. Deze twee gebeurtenissen zullen hem gestimuleerd hebben om zijn energie en zijn verdriet om te zetten in vertalingen. In 1951 verschijnt zijn Odyssee,2 in 1953 Barnsteen, in 1956 de Ilias en ook daarna volgen de publicaties elkaar in vliegende vaart op. Schwartz had Homerus en Vergilius gedurende talloze jaren met zijn leerlingen gelezen en hij moet haast wel eerder in zijn leven aan het vertalen ervan gewerkt hebben wanneer hij de drie grote epen uit de oudheid, Ilias, Odyssee en Aeneis (1959), binnen acht jaar kon uitbrengen, naast veel ander werk, zoals twee bundels waar het docerende en het vertellende element een grote rol spelen.

Bloemlezingen
Barnsteen (1953) is een verzameling korte verhalen geput uit vijf soorten Griekse en Romeinse bronnen: het epos, de geschiedschrijving, brieven, ‘lichtvoetige’ literatuur zoals Ovidius en de Latijnse romans van Apuleius en Petronius, en fabels. Alle auteurs die Schwartz in zijn leven vertaalde (en veel meer) zijn hier vertegenwoordigd behalve Plato en Barnsteen kan beschouwd worden als een ‘experiment en een ‘’tour d’horizon’ die hem de vele en gevarieerde mogelijkheden van verder werk onthulde’ (Visser 1978). Barnsteen staat voor de fossiele hars die nooit zijn kracht en magnetische glans verliest, evenmin als de oude (taal)kunstwerken, aldus Schwartz in zijn Inleiding. Het boek is bedoeld voor een publiek dat geen Grieks en Latijn (meer) kent en wil ‘doceren, getuigen, lokken en richt zich niet in de eerste plaats tot classici, maar tot ieder mens van beschaving’. Doceren bleek al een kern van Schwartz’ bestaan. Vertellen is misschien wel zijn lievelingsbezigheid: het hele doel van de bundel is om uit de vijf ‘genres’ verhalen te lichten; die genres zelf zijn vaak al verhalen, zoals epiek – de Odyssee wordt overal in Schwartz’ werk een ‘avonturenroman’ genoemd – of de roman en de fabel. Terecht spreekt een recensent over ‘de verteller M.A. Schwartz’ (Het Vrije Volk, 13-9-1954). Vertellen en toegankelijk maken gaan samen als hij eenmaal expliciet zegt enkele regels te hebben weggelaten ‘omdat ze de gang van het verhaal onnodig vertragen’, voor classici toen bijna een doodzonde. In een ander geval waarschuwt hij de lezer dat de laatste zin niet in het origineel staat en vervangt hij de nogal ingewikkelde clou van het verhaal door een simpelere punchline. Ook uit minstens twee vertaalde fragmenten uit de Ilias laat hij een korte uitweiding weg, zonder dat op enige manier aan te geven.3 Schwartz’ keuze van de verhalen is soms eigenzinnig, zoals een relatief onbekend fragment uit de Odyssee, soms voor de hand liggend; de meeste gaan over herkenning en verzoening – hij kiest hier geen oorlogsverhalen, ook niet uit historici met oorlog als belangrijk of exclusief onderwerp (Herodotus, Thucydides, Livius, Tacitus) – met een soms wat sentimentele ondertoon.4

Deze bloemlezing van vertalingen was waarschijnlijk de reden dat Elsevier Schwartz in 1959 vroeg om A history of Rome from its origins to 529 A.D. as told [‘verhaald’ [!] in de vertaling] by the Roman historians (1952) te vertalen. Dit is een bronnenpublicatie, samengesteld door Moses Hadas, hoogleraar aan Columbia University, van een aantal honderden bladzijden, geput uit bijna zestig zeer uiteenlopende Latijnse en Griekse, bronnen: historiografie, papyri, wetsteksten, epiek, lyriek, kerkgeschiedenis, van auteurs tot ver in de middeleeuwen en Byzantijnse tijd. Schwartz vertaalde al deze teksten, op een minieme uitzondering na, opnieuw uit de brontalen ‘opdat het boek niet zou worden een vertaling van een vertaling’. Een paar teksten overlapten met Barnsteen, van Livius en Plinius; daar nam hij zijn eerdere vertalingen letterlijk over, op een kleinigheid na. Deze vertaling toont nogmaals Schwartz’ eruditie en brede inzetbaarheid als vertaler.

Epiek
Schwartz’ eigenlijke debuut als vertaler was de vertaling van Homerus’ Odyssee in 1951. Hier formuleert hij direct in de inleiding als doel: het werk ‘gemakkelijk toegankelijk maken voor hen die (de Odyssee) niet of niet meer in het Grieks kunnen lezen’. In de inleiding op zijn Ilias-vertaling schrijft hij vijf jaar later vrijwel hetzelfde. Bij de vertaling van de Aeneis laat hij elk commentaar op zijn vertaalwijze achterwege.

In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog genoten vertalingen, in elk geval uit de klassieken, weinig aanzien. Of, beter gezegd, de status van het origineel was zo torenhoog dat volgens velen elke weergave alleen maar tekort kon schieten: tot ver in de jaren zestig was het gebruik van bestaande vertalingen op nagenoeg alle gymnasia taboe en gold het bijna als spieken. Ook recensenten, en zelfs Schwartz zelf, beschouwden de vertaling uitdrukkelijk als surrogaat: ‘vertalen blijft verminken en de grootste eerbied is niet-vertalen’ (Inleiding Odyssee). Tot zijn vaste repertoire hoorde de uitspraak ‘ik ben geen creatief man, ik vertaal andermans gedachten en speel andermans muziek’ (Visser 1978), die hij in iets andere bewoordingen herhaalt in zijn autobiografie, gevolgd door de kwalificatie (wellicht enigszins vals-bescheiden) ‘vertalen in aanvaardbaar Nederlands’. Veelzeggend is een brochure uit 1958 Is de Griekse litteratuur vertaalbaar? geschreven door vier hoogleraren Grieks en één hoogleraar in wording, die hierop met een onvoorwaardelijk Neen antwoordden. Ongetwijfeld doelden zij onder andere op het werk van Schwartz als het misprijzend gaat over ‘de stroom van goedkope [!] vertalingen van antieke schrijvers die in stijgende mate over ons wordt uitgestort’. Aantoonbare invloed op uitgevers of lezers heeft dit werkje niet gehad. Het pamflet zou nog een lange schaduw werpen over Schwartz’ vertaalcarrière.

Een van de grootste obstakels voor de vertaler én voor de moderne lezer die van antieke verhalen houdt is dat het literaire genre daarvoor in principe de epiek is, dat is poëzie, in hexameters. Moet de vertaler die teksten waarin vormaspecten zo belangrijk zijn in poëzie vertalen, die afbreuk kan doen aan de ervaring van een spannend verhaal? En zo ja, in wat voor poëzie? Hexameters of jamben en in het laatste geval met hoeveel versvoeten? Over die kwesties wordt nog steeds fel gestreden onder classici-vertalers. In zijn Odyssee-vertaling verwierp Schwartz de Nederlandstalige hexameter als ongeschikt voor zijn beoogde publiek, omdat hij ‘de lezer spoedig meer vermoeit dan boeit’. Ook in Barnsteen noemt hij de hexameter ‘voor het Nederlands onbruikbaar’ en hij zou dat metrum nooit hanteren. In die verzamelbundel vertaalde hij Homerus en Vergilius in vijfvoetige jamben, een ritme waarmee hij vooruitliep op moderne vertalers als Patrick Lateur voor Homerus (2010, 2016) en Anton van Wildenrode voor Vergilius (1962–1975), eerder ook al Bertus Aafjes’ Odyssee uit 1965 – al zijn de jamben van Schwartz eentoniger dan bij zijn opvolgers doordat ze altijd op een beklemtoonde lettergreep eindigen. Voor Ovidius’ Metamorphosen, ‘de lichtere Muze’, nam hij zesvoetige jamben die (tamelijk virtuoos) rijmen. Maar voor zijn complete Odyssee, Ilias en Aeneis koos hij, om zijn deels onervaren publiek beter te bedienen, proza ‘waaraan een zeker ritme niet vreemd is’ (Odyssee), voor de Ilias met ‘wat groter voornaamheid’. Homerus was al eerder in proza vertaald door J.G. van der Weerd in 1904, en vooral door Engelstalige vertalers, voorop E.V. Rieu in 1945 (Odyssee) en 1950 (Ilias), al vond Schwartz dat die Engelsen het stijlverschil tussen Ilias en Odyssee verwaarloosden.5 Maar zijn keuze was origineel én houdt nog steeds stand, wellicht doordat huidige lezers veel minder gevoel voor metrum hebben dan die van vijftig jaar geleden. Contemporaine dagbladrecensenten bespraken kort het probleem proza / poëzie en concludeerden vervolgens dat als je voor proza kiest, Schwartz’ fraaie ritme en waardige woordkeus veel lof verdienen, met het voordeel dat er minder gewrongen taal kan worden gebruikt. Zoals te verwachten viel, tonen de auteurs van Is de Griekse litteratuur vertaalbaar? slechts de diepste minachting: ‘wie negeert dat Homerus verzen schreef, mist een kernkwaliteit, distinctie’, en daarom blijft Schwartz in hun ogen ‘volkomen in gebreke […] een volkomen minderwaardig surrogaat is de prozavertaling’ (Verdenius e.a. 1959: 8).

Wie de vertalingen onder de loep neemt, kan overigens constateren dat qua ritme poëzie en proza bij Schwartz vaak niet zo ver van elkaar liggen: zo nam hij in zijn Ilias wat hij in Barnsteen al metrisch vertaald had bijna letterlijk over: de proza-zin ‘Welnu, dan zijt ge al sinds oude tijden door gastvriendschap aan mij verbonden’ herhaalt het jambische ‘Welnu, dan zijt ge al sinds lange tijd / door gastvriendschap met mij verbonden’; ‘die jong van u beroofd zal zijn’ wordt in proza ‘die spoedig van u beroofd zal zijn’ en ‘Vermetele, uw moed wordt nog uw dood’ is in poëzie en proza hetzelfde. Bij hardop lezen is duidelijk dat Schwartz’ proza helemaal is opgebouwd uit hexametrische en jambische zinsdelen. In het algemeen exotiseert Schwartz weinig, met het oog op zijn doelpubliek: woorden als Argiven, Danaërs, Achaeers vertaalt hij liefst als ‘Grieken’, de ‘koeienogen’ van Hera worden ‘grote ogen’. Het stijlverschil tussen Ilias en Odyssee zit hem in de woordkeus: ‘slonsje’en ‘een lekker maal’ zijn typisch voor het laatstgenoemde werk; daar komt ook ‘gij’ als aanspreekvorm veel minder voor. De middelen die Schwartz inzet om de poëzie of het hoge stijlniveau over te brengen, naast ritme, zijn klankherhalingen, licht archaïsch woordgebruik en vooral inversie. Dat laatste is overigens een stijlmiddel dat Schwartz in allerlei teksten hanteert, zoals zijn late Apuleiusvertaling maar ook in zijn autobiografie (‘Het liefst zou ik schrijven een roman of een novelle’: direct op de eerste bladzijde), en dat een ouderwetse kleur geeft, ook waar dat misschien minder gewenst is zoals bij Apuleius. Eigenlijk alle contemporaine recensies van de epen beperkten zich tot opmerkingen over proza versus poëzie en algemeenheden, behalve die van de Aeneis-vertaling door Christine Mohrmann die ook talige details bespreekt. Zij was hoogleraar (o.a.) vulgair en christelijk Latijn in Nijmegen, ultra-katholiek en goed bevriend met de niet-gelovige Schwartz, die hechte banden onderhield met deze katholieke universiteit – de naoorlogse verzuiling kende ook uitzonderingen (Derks en Verheesen-Stegeman 1998). Zij laat zien hoe het proza door nevenschikking, woordherhaling en een licht archaïsche woordkeuze toch het poëtische origineel van Vergilius suggereert (inversie noemt ze niet). Vooral opvallend hier is dat Mohrmann een vertaling wil zien als een ‘eigentijds kunstwerk […] een moderne schepping’ (De Tijd-Maasbode, 26-11-1959). Niet alle hoogleraren-classici oordeelden dus eind jaren vijftig negatief over vertalingen.

Proza: Plato, Thucydides, Apuleius
In 1946, direct na de oorlog, schreef Schwartz een schoolboek met commentaar op een lange episode uit Thucydides’ Geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog; de redevoeringen die er in voorkwamen gaf hij in vertaling. In 1962 maakte hij van die episode een vertaling (ingeleid door Elizabeth Visser) en in 1964 publiceerde hij een volledige vertaling. Dat laatste was alleen al origineel doordat dit pas de derde integrale Nederlandse vertaling was, na die van Frieseman uit 1786 en Boissevain & Boeken uit 1908–1924. Het verband tussen de oorlog van ruim twintig jaar eerder en deze antieke oorlogsgeschiedenis werd door een recensent expliciet gelegd en relevant geacht, onder de titel ‘de actualiteit van Thucydides’ (D.C. in Algemeen Handelsblad 8 mei 1965). Deze vindt dat Schwartz ‘een eenvoudiger vorm heeft gekozen’, soms ‘meer de bedoeling weergeeft dan de woordelijke betekenis’ om ‘ook voor niet-classici een leesbare tekst te scheppen’, iets wat ditmaal niet in het voorwoord stond maar toch was begrepen. Voorbeelden van zo’n moderne woordkeus waren termen als collaboreren, dwangpositie en dictatuur. D.C. neemt termen uit Schwartz’ voorwoord op en expliciteert ze nog. ‘Is het niet of we het zelf meebeleefd hebben, als hij (Thucydides) vertelt […] een bron van lering’. Nog in 2001 kreeg deze vertaling een derde druk, totdat hij in 2013 werd opgevolgd door de modernere vertaling van Wolther Kassies die een schat aan informatie biedt, maar zich helaas niet uitlaat over de vertaling van deze voorganger.

In 1960 en in 1968 verscheen een bundel met vaak op school gelezen Dialogen van Plato, zeven in totaal. Schwartz zwijgt er over zijn bedoelingen en aanpak en het boek werd niet gerecenseerd, maar slechts gesignaleerd in een paar oppervlakkige boekaankondigingen. De vertalingen lezen tamelijk stroef; desondanks kwam het ook hier in 2010 tot een vijfde druk en in 2013 tot een digitale uitgave.

In 1970 bracht de toen 84-jarige Schwartz een vertaling uit van de barokke, veelgelaagde Latijnse roman van Apuleius, De gouden ezel, waaruit hij een substantieel gedeelte, het bekende ‘sprookje’ van Amor en Psyche al in zijn Barnsteen had vertaald. Uit een vergelijking blijkt duidelijk dat Schwartz ook voor dit onderdeel opnieuw de Latijnse tekst heeft geraadpleegd, misschien in een nieuwe editie ervan: er zijn flink wat slordigheden, overgeslagen woorden en minder juiste interpretaties verbeterd. Verder herhaalt hij voor het overgrote deel weliswaar zijn versie van 1953, maar kleine verschuivingen en wijzigingen laten zien dat hij met de stofkam door zijn tekst is gegaan. Twee tendensen zijn daarbij zichtbaar: enerzijds een wat moderner taalgebruik, vooral op woordniveau: jonkvrouw-maagd, gij daar-jij daar, haar meesteres (bij vrouwelijk meervoud)-hun meesteres; anderzijds een wat preciezere weergave van Apuleius’ Latijn, waar Schwartz in 1953 soms details wegliet die de ‘algemene lezer’ niet direct zou begrijpen, soms idiomatische wendingen toevoegde zonder enige basis in de brontekst. Een voorbeeld van het eerste is ‘klagelijke Lydische tonen’ waar hij in Barnsteen de technische verwijzing naar de Lydische toonladder had weggelaten, net als de grap van de verteller dat Apollo zo aardig was om voor zijn Latijnse publiek niet in het Grieks te orakelen, zoals gebruikelijk; een voorbeeld van het tweede is ‘van aangezicht tot aangezicht te zien’ te schrijven waar in het Latijn alleen ‘zien’ staat. Algemeen gesproken toont Barnsteen misschien van al Schwartz’ werk de meest ‘losse’, ‘literaire’ aanpak (ook in het gebruik van poëzie), zijn meest uitgesproken complete poging om een nieuw publiek aan te spreken. De Apuleiusvertaling van 1970 is zeker niet slecht, wel nogal ouderwets en stijf –niet zo verwonderlijk aangezien het in essentie die van 17 jaar eerder is. Maar bij het lezen wordt plotseling duidelijk dat sinds Schwartz’ Thucydidesvertaling van 1964 de tijden veranderd zijn: de Nederlandse maatschappij is definitief getransformeerd en bezig verder te transformeren. Om Apuleius in 1970 echt geslaagd te vertalen moest je meer bij de tijd zijn dan Schwartz toen kon zijn, ondanks de bewondering die zijn prestatie op die leeftijd afdwingt. De Apuleiusvertaling is er gedeeltelijk debet aan dat hij nooit de Nijhoffprijs heeft gekregen. In 1966 was de prijs gegaan naar zijn generatiegenoot J. Hemelrijk senior (1888-1973), ook een oud-rector, voor zijn vertaling uit het Latijn van de komedies van Plautus, althans van vier daarvan, want de rest was nog niet gepubliceerd; de jury prees de frisheid van de vertalingen van deze krasse 78-jarige. Ondanks de warme aanbevelingsbrief aan de jury die A. Ripperda Wierdsma in 1973 schreef, waarin al Schwartz’ verdiensten werden opgesomd, hield de jury vast aan het negatieve advies dat eerder was uitgebracht over Apuleius. Dat was opgesteld door niemand minder dan de Amsterdamse Graecus J.C. Kamerbeek, een van de auteurs van Is de Griekse litteratuur vertaalbaar6

In de ongepubliceerde nalatenschap van Schwartz bevindt zich nog een aantal vertalingen, waarvan die van Ovidius’ Metamorphosen, een epos dat in feite een enorme serie vertellingen is, wel de meest spectaculaire is. Dit handgeschreven werk breekt af op ongeveer twee derde van boek 12 van de 15, wat suggereert dat deze vertaling Schwartz’ laatste grote onderneming was. De Metamorphosen heeft hij net als zijn andere epen in ritmisch proza vertaald, maar de vier passages die in Barnsteen in zesvoetige jamben waren gegoten, staan hier letterlijk overgeschreven tussen het proza; ook onderstrepingen met potlood in de tekst, die verder weinig haperingen en verbeteringen vertoont, suggereren dat hij nog zou gaan herzien. De andere vertalingen zijn moeilijker te dateren: de doorslag van een getypte vertaling van Aeschylus’ Perzen houdt abrupt op met regel 367 (‘om Aias’ eiland in een kruif’).7 De vertaling is metrisch, in jambische trimeters, en wat de koorliederen betreft in lyrische verzen die de Griekse vorm benaderen. Het is mogelijk dat dit gedeelte bedoeld is voor opvoering door leerlingen, zoals Orpheus in 1930 in Nijmegen in première ging samen met een uitvoering van Sophocles’ Aias. In elk geval vertaalde Schwartz in 1949, zijn laatste jaar als rector, met zijn leerlingen (opnieuw?) de koorliederen uit Aias, die opgevoerd werden en in dat jaar ook op de radio uitgezonden.8 Anderzijds sluit de Perzen qua onderwerp aan bij een andere ongedateerde vertaling uit de nalatenschap, de biografie van Themistocles door Plutarchus: beide gaan over de Griekse strijd tegen de Perzen in de jaren 490-480 v.Chr. Het handschrift en het materiaal van die Plutarchusvertaling vertonen duidelijke overeenkomsten met de Metamorphosen, wat een late datum suggereert. In Barnsteen en in zijn vertaling van Hadas had Schwartz wel een paar stukjes uit biografieën van Plutarchus vertaald, maar niet uit Themistocles. Deze, capabele, vertaling is intussen achterhaald door nieuwere vertalingen van Gerard Janssen (2014) en Hetty van Rooyen-Dijkman (2009): een meer gedetailleerde vergelijking met laatstgenoemde laat zien dat niet alleen het taalgebruik soms achterhaald is (‘Arme dwaas!’ versus ‘Stuk onbenul’, ‘Gij’ en ‘Hellas’ versus ‘Jij’ en ‘Griekenland’), maar dat ‘moderner’ ook betekent ‘minder omslachtig’ en vooral beter leesbaar door informatie meer te doseren volgens de Nederlandse syntaxis of stilistiek.

De nagelaten vertaling van Plutarchus’ Themistocles.

Een van de maatschappelijke veranderingen in de jaren zeventig betrof de positie van de klassieke talen en de Oudheid, die in het onderwijs en dus in de maatschappij meer en meer marginaal werd. Dat proces had al voor de oorlog ingezet, maar raakte in een stroomversnelling; de ‘Mammoetwet’ was er zowel oorzaak als symptoom van. Enerzijds is het opmerkelijk dat de vertalingen van Schwartz zolang herdrukt zijn en soms nog steeds worden, ook al zijn er opvolgers voorhanden. Anderzijds is het paradoxale gevolg van de geringe kennis van de klassieke talen zelf en de afgenomen vanzelfsprekendheid van de oudheid in onze maatschappij dat er een markt is voor vertalingen uit Latijn en Grieks, ook voor de oudere versies van Schwartz bestemd voor ‘diegenen die [ze] niet of niet meer in het Grieks [of Latijn] kunnen lezen’ en die zich graag door een goed verhaal laten meevoeren.

Om Max Schwartz en zijn vertalingen beter te positioneren in de vertaalgeschiedenis van de klassieken in Nederland is in elk geval eerst onderzoek nodig naar de vertalers uit de periode 1945-1970; daarin moet ook gedetailleerd en vergelijkenderwijs naar hun vertaalpraktijk gekeken worden. Voorts is er wel onderzoek gedaan naar individuele vertalers, groepen of perioden, zoals de zeventiende eeuw of de Tachtigers, maar moet de vertaalgeschiedenis van de klassieken in ‘Nederland’ vanaf de middeleeuwen nog geschreven worden.

Harm-Jan van Dam

Ik wil graag allereerst twee kleinkinderen van Max Schwartz, Michaëla Rammelt-Röntgen en vooral Jurriaan Röntgen, bedanken voor hun steun en informatie. Het was een bijzondere ervaring om in 2020 te ontdekken dat ik tussen 1960 en 1967 tegelijk met drie kleinkinderen van Schwartz op Het Haags Montessorilyceum heb gezeten. Jurriaan Röntgen deelde veel herinneringen aan zijn dierbare grootvader met mij en gaf me onbekrompen uniek materiaal ter inzage en voor langere tijd te leen. Daarnaast bedank ik Lucien Custers voor de informatie die hij me verstrekt heeft over de familie Schwartz en voor het toezenden van Schwartz’ autobiografische geschriftje “Van de hak op de tak”.

Gebruikte literatuur
Custers, Lucien. 2018. Alleen in wervelende wereld. Het leven van Johan Andreas dèr Mouw. Nijmegen: Vantilt.
Dam, Harm-Jan van. 2016. “M.A. Schwartz, vertaler-verteller”. In Filter 23:3,13-21.
De Rynck, Patrick & Andries Welkenhuysen. 1992. De Oudheid in het Nederlands. Repertorium en bibliografische gids, Baarn: Ambo. Supplement ibid. 1997.
Derks, Marjet & Saskia Verheesen-Stegeman. 1998. Wetenschap als roeping. Prof. dr. Christine Mohrmann (1903-1988), classica. Nijmegen: Vantilt.
Dunnen, E. den. 1996. Orpheus in de onderwereld. Programma en herdenkingsboek … Nijmegen: in eigen beheer.
Habets, Harrie & Ank Hendricks. 1992. “Vertalingen van dode talen: Eens was de oude taal nieuw. Twee nieuwe jassen voor Homerus”. In Tsjip, 2, 33–45, via http://www.dbnl.org/tekst/_tsj001199201_01/_tsj001199201_01_0038.php
Naaijkens, Ton. 2001. ‘Vertaalopvattingen van classici. Nederland 1912 en 1958’. In Filter, 8:3, 54–64.
Schrijvers, Piet. 2009. “De Nederlandse dactylische hexameter”. In Filter 16:3, 47-55.
Verdenius, W.J. e.a. 1958. Is de Griekse litteratuur vertaalbaar? Zwolle: Tjeenk Willink.
Visser, Elizabeth. 1978. “Levensbericht van Maximiliaan August Schwarts” [sic]. In Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1978, 73–85, via http://www.dbnl.org/tekst/_jaa003197801_01/_jaa003197801_01_0007.php#038 .

1. In dat jaar zou student, nu oud-leraar van het Nijmeegse Dominicuscollege, Hans van den Berg volgens eigen zeggen aan Schwartz hebben gesuggereerd Apuleius’ Gouden Ezel geheel te vertalen (persoonlijke mededeling).
2. Niet in 1956, zoals in Visser 1978, Schwartz 1996 en het Wikipedia-artikel over Schwartz staat. Andere onjuiste gegevens bij Visser en anderen zijn stilzwijgend gecorrigeerd.
3. Pp. 204 en 200: in respectievelijk een brief die ten onrechte werd toegeschreven aan de Griekse redenaar Aeschines en in Petronius’ verhaal over de weduwe uit Efeze; voorts Ilias 6.222-23 en 24.443-58. Zie ook hieronder over Apuleius.
4. Een bespreking van Schwartz’ keuzes in Barnsteen vormt de hoofdmoot van Visser 1978 – uiteraard persoonlijk en met maatstaven van die tijd.
5. Overigens vertaalde Schwartz ook de paar poëtische fragmenten in Hadas’ History … in proza, waarschijnlijk omdat hij inhoud prioriteit gaf in een bronnenpublicatie.
6. Literatuurmuseum 10 ROD Dossiers Martinus Nijhoffprijs.
7. Het nietje dat door de bladzijden is geslagen kan betekenen dat dit alles is, maar kan ook later door anderen zijn aangebracht toen een deel van de vertaling was verdwenen.
8. Agora. Maandblad voor het Stedelijk Gymnasium, editio extra ordinaria, gewijd aan het afscheid van de rector […] (15 juli 1949) p. 6.

Alle geplaatste foto’s met personen komen uit Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. Het leven van Johan Andreas dèr Mouw [1863-1919], Nijmegen: Vantilt, 2018.
De eerste foto toont Max Schwartz als student.

Terug naar overzicht >>>

Dit bericht werd geplaatst in de categorie Vertalers vanuit het Latijn, Oud-grieks.