Josephus Adrianus Sandfort, 1893-1959

J.A. Sandfort, fotograaf en jaartal onbekend

J.A. Sandfort geldt als een van de meest toonaangevende Nederlandse vertalers van de twintigste eeuw. Begin jaren dertig vestigde hij zijn reputatie met vertalingen van Gargantua et Pantagruel van François Rabelais (1483/1494-1553) en van de spraakmakende roman Voyage au bout de la nuit van Louis-Ferdinand Céline (1894-1961). Hoewel Sandfort ook uit het Engels vertaalde, maakte hij vooral naam als vertaler van Franse literatuur. Tussen 1928 en 1958 vertaalde hij vierenveertig werken die bij zeventien verschillende uitgeverijen verschenen. In zijn voorstellen aan uitgevers legde hij een voorkeur aan de dag voor romans en verhalen waarin een individu streeft naar bevrijding uit de knellende banden van kerk en moraal en waarin lichamelijkheid en intuïtieve intelligentie boven de ratio worden geplaatst. Sandfort vertaalde geen auteursoeuvres, maar koos telkens voor afzonderlijke boeken die zijn interesse hadden gewekt en waarvan hij een Nederlandse vertaling noodzakelijk achtte. Daarbij was hij steeds afhankelijk van opdrachten die uitgevers hem gaven.

Vertalersleven
Over het leven van Sandfort is weinig bekend. Zo omvangrijk als zijn vertaaloeuvre is, zo beperkt is de nalatenschap waar het zijn persoonlijke leven betreft. Het archief van het Literatuurmuseum in Den Haag bevat slechts enkele brieven van en aan de romanist Johannes Tielrooy (1886-1953), daterend uit de periode 1943-1952, en correspondentie met uitgeverij Van Loghum Slaterus, daterend uit de periode 1927-1935. Het speurwerk dat de neerlandicus Peter Altena in de jaren tachtig en negentig verrichtte leidde naar het ‘archief Sandfort’ op een particulier adres in Amsterdam. In dat archief bevinden zich onder andere een autobiografische schets ‘Bij de broeders op de dagschool’, een nooit gepubliceerde vertaling van The Theory of the Leisure Class van de door Sandfort bewonderde Amerikaanse socioloog Thorstein Veblen (1857-1929), over wie hij in de jaren 1927-1928 ook enkele artikelen publiceerde, en aantekeningen, knipsels, agenda’s en brieven van en aan bekende wetenschappers en schrijvers, onder wie Johan Huizinga (1872-1945), Sigmund Freud (1856-1939), Pieter Valkhoff (1875-1942), Frederik van Eeden (1860-1932) en verschillende uitgevers. Van bijzonder belang voor het onderzoek naar de Nederlandse receptie van het werk van Louis-Ferdinand Céline bleken de briefwisseling tussen deze auteur en Sandfort en de lijsten met vragen van de vertaler aan de schrijver over de betekenis van diens onconventionele Frans. Samen met Michel Uyen bezorgde Altena in 1989 een uitgave van deze brieven en lijsten, de Questionnaire Sandfort. Ook Iris Börger, die in 1992 een doctoraalscriptie schreef over Sandfort, kon van het archiefmateriaal gebruikmaken.

Josephus Adrianus Sandfort (roepnaam Joop) werd geboren in Den Haag op 9 december 1893. Dat hij Frans en Economie studeerde is, gezien zijn latere werkzaamheden, aannemelijk, maar precieze gegevens zijn niet voorhanden. Sandfort werd geplaagd door periodieke depressies en leidde een teruggetrokken bestaan. Tegenover uitgever Reinold Kuipers sprak hij over zijn ‘cyclische krankzinnigheid’. In de jaren vijftig verbleef hij met enige regelmaat op de Willem Arntsz Hoeve, een psychiatrisch zorgcomplex in Den Dolder.

Uit het weinige dat er over Sandfort is geschreven rijst het beeld van een eenzaam mens op, een overgevoelige en introverte natuur, een door periodieke depressies gekwelde kluizenaar. In zijn boek Gerezen wit noteerde Reinold Kuipers zijn herinneringen aan Sandfort: ‘een tengere man van middelmatige lengte. Zijn smalle gezicht had iets bleeks en schilferigs. Het leek alsof het daglicht hem stoorde. Een vlotte prater was hij niet, maar wat hij zei was vaak vol zelfironie.’ Over zijn politieke opvattingen is weinig bekend. Uit zijn brieven en enkele publicaties kan worden opgemaakt dat hij sympathie koesterde voor de sociaaldemocratie en een afkeer had van ‘de weinig goeds inhebbende beginselen van het nationaal-socialisme’ (brief aan Tielrooy, 21 mei 1935). Wie Sandfort wilde zien kon hem aantreffen aan een kleine tafel bij het raam in de Openbare Leeszaal en Bibliotheek aan de Heerenstraat te Hilversum. Een kwartier lopen verderop, aan de Roeltjesweg 37, huurde hij een kamer bij de jonge weduwe Tine Brouwer en haar zoon Cees, die zich over hem ontfermden. Joop Sandfort zou getekend zijn door een traumatisch verblijf op een katholieke school met handtastelijke broeders en daar een levenslange afkeer van godsdienst aan hebben overgehouden. In een brief aan Johan Huizinga (12 maart 1927) schreef hij dat zijn associaties bij het woord ‘godsdienst’ andere waren dan die van de Leidse historicus:

Ik denk daarbij niet aan de kerkramen van Auxerre, maar aan de ontwijdende nieuwsgierigheid waaraan ik me als jong biechteling te onderwerpen had, aan een eindelooze verveling van bewierookte zondagen, aan slierten afgeraffelde rozenhoedjes, aan de brutaal agressieve en platvloerse preeken, die mijn angst voor het onheimelijke zochten te versterken om mij smaak te doen krijgen in Rome’s verlossende dogma’s, aan de ploerten-moraal, die men uit Jezus’ woorden wist te destilleren.

Voor zijn inkomen was Sandfort goeddeels afhankelijk van vertaalwerk – officieel liet hij zich registreren als werkloos – dat hij rond 1932 tijdelijk aanvulde met een schamel inkomen als leraar Economie aan de Kaderschool van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling in Bussum. In een brief aan Johannes Tielrooy (6 mei 1935) noemde Sandfort zich ‘geen gentleman of leisure’. Zijn financiële afhankelijkheid had evenwel niet tot gevolg dat hij bereid was om concessies te doen aan de smaak van het grote lezerspubliek dat de uitgevers voor ogen hadden. Toen hij eind 1930 een voorschot vroeg bij de Gemeentelijke Dienst voor Hulpbetoon, diende het toegezegde honorarium voor zijn vertaling van Gargantua et Pantagruel als borg. De afbetaling zou vele jaren in beslag nemen.

Gekweld door tijdgebrek, geldnood, ziekte en depressies werkte Sandfort in straf tempo door. Om uitgevers te overtuigen van de noodzaak hem baanbrekende boeken te laten vertalen, maakte hij in zijn brieven veelvuldig gebruik van zijn netwerk van Nederlandse romanisten als Karel Rudolph Gallas (1868-1956), Valkhoff en Tielrooy, die hij vriendelijk doch zelfverzekerd vroeg of hij hun namen mocht noemen in zijn aanbiedingen en voorstellen aan uitgeverijen. In Valkhoff en Tielrooy trof hij bovendien critici die bereid waren om delen van zijn vertalingen na te kijken en zijn werk gunstig te bespreken.

Joop Sandfort overleed op 5 juni 1959 op vijfenzestigjarige leeftijd in Hilversum. Een oud-buurman vertelde onderzoeker Peter Altena dat Sandfort zich zou hebben vergast in zijn nieuwe woning aan de Loosdrechtseweg. De NRC meldde het overlijden van ‘de bekende vertaler’, die naam had gemaakt met vertalingen van Rabelais, Boccaccio ‘en voorts van geruchtmakende werken uit de moderne literatuur’.

Opvattingen en oeuvre
Sandfort heeft nooit gepubliceerd over zijn literatuur- en vertaalopvattingen. Zijn brieven bevatten evenwel opmerkingen waarin de contouren van een vertaalpoëtica zich aftekenen. ‘Ik heb de flair, om teksten goed te vertalen, die ik soms pas veel later ga begrijpen’ (brief aan Johannes Tielrooy, 24 oktober 1943). Die terloopse uitspraak doet vermoeden dat Sandfort zichzelf beschouwde als een intuïtieve lezer en vertaler. Hij vertaalde teksten die hun betekenis niet onmiddellijk prijsgaven, maar waarvan de diepere betekenis zich voor hem tijdens het vertalen openbaarde. In een eerdere brief aan Tielrooy (21 mei 1935) schreef hij: ‘Het is grappig, soms vertaal ik zonder te begrijpen, en als ik dan teruglees, snap ik [het] wel en blijkt de vertaling aannemelijk.’ Dat Sandfort het vertalen ook beschouwde als een ambacht blijkt uit zijn correspondentie met Louis-Ferdinand Céline in de periode waarin hij werkte aan zijn vertaling van Voyage au bout de la nuit en waarin tal van vertaaltechnische kwesties in detail werden besproken. Vooral waar het spreektaal, straattaal en dialogen betrof schroomde hij niet om de roemruchte Franse schrijver per brief om raad te vragen. Sandfort wilde recht doen aan het werk dat hij vertaalde, maar boven alles beoogde hij de literatuur te verrijken met spraakmakende teksten in een natuurlijk Nederlands.

Sandfort debuteerde in 1928 met zijn vertaling van de roman Jurgen, a Comedy of Justice (1919) van de Amerikaanse schrijver James Branch Cabell (1879-1958). Die vertaling verscheen bij de firma A.G. Schoonderbeek in Laren, waar vier jaar later zijn vertaling van François Rabelais’ Gargantua et Pantagruel het licht zag in een royale uitgave, op goed papier, met een fraaie letter en rijk aan illustraties. Tielrooy wijdde een omvangrijke bespreking aan de Rabelaisvertaling in het recensietijdschrift Critisch Bulletin (maart 1932). De criticus noemde Rabelais ‘niet slechts “een humanist”, maar het begin van het ware, veelzijdige, het heele leven doordringende humanisme dat de toekomst zal moeten brengen’. Hij prees Sandforts vertaling als ‘een feit dat voor ons geestesleven van gewicht zal blijken’. Het resultaat was namelijk ‘een prachtig Hollandsch boek, dat gelezen en herlezen zal worden’. Dat Sandfort het scabreuze boek niet had gefatsoeneerd viel eveneens te prijzen. De vertaling getuigde volgens Tielrooy dan ook van durf en vrijheid van geest. De slotzin van zijn recensie was een ridderslag voor de vertaler: ‘De heer Sandfort, tevoren onbekend, heeft zich een zeer bekwaam taalkunstenaar betoond en zijn land een dienst van belang bewezen.’

Gesteund door de bijval van geleerden als Tielrooy en zijn Hilversumse plaatsgenoot Valkhoff (behalve hoogleraar Frans ook bestuurslid van de Openbare Leeszaal), ontvouwde Sandfort vanaf de vroege jaren dertig zijn plannen in brieven aan verschillende uitgeverijen. Hoe dachten de heren van uitgeverij Van Loghum Slaterus over een vertaling van Marius the Epicurian (1885) van Walter Pater, Les idées et les âges (1927) van Alain (pseudoniem van Émile-Auguste Chartier), René Descartes’ Discours de la méthode (1637) en Les passions de l’âme (1649), of anders A Portrait of the Artist as a Young Man (1916) van James Joyce? ‘Deze werken noem ik U slechts, omdat ze in mijn lijn liggen, een zorgvuldige vertaling overwaard zijn en succes kunnen hebben. Het peil Uwer uitgaven is mij overigens een waarborg, dat ook de geringste Uwer opdrachten mij een vereerende en aanlokkelijke taak zou beloven’ (brief van Sandfort aan Van Loghum Slaterus, 8 juli 1930). De vleiende woorden misten hun uitwerking niet; per kerende post verzocht de uitgever Sandfort om de boeken van Alain en Joyce op te sturen, maar de uitgeverij oordeelde al na twee weken dat geen van beide werken voor een vertaalde uitgave in aanmerking kwam: ‘Bij de beoordeling van een boek met ’t oog op een vertaling moet men zich steeds afvragen, of het boek in kwestie voldoende aantrekkingskracht heeft voor een publiek, dat niet by voorkeur een boek in het oorspronkelik leest’ (brief van Van Loghum Slaterus aan Sandfort, 21 juli 1930).

Het is niet vreemd dat uitgevers nogal eens terughoudend of beleefd afwijzend reageerden op de voorstellen van deze vertaler. Zij zagen wel een markt voor vertalingen van klassiekers uit de wereldliteratuur en voor boeken die, desnoods kortstondig, op een groot eigentijds publiek konden rekenen, maar wie de moeilijkere eigentijdse Engels-, Frans- en Duitstalige literatuur wilde lezen werd verondersteld dat in de oorspronkelijke talen te kunnen. Zo schreef uitgeverij Querido aan Sandfort (14 januari 1930) dat zij enkele jaren eerder had overwogen om een vertaling van Ulysses van James Joyce uit te brengen, maar dat het risico eenvoudigweg te groot was. Ook dit voorstel van Sandfort werd dus afgewezen. Sandfort moest erkennen dat hij het uitgeversrisico niet zuiver had kunnen afwegen en daar ook eigenlijk geen belangstelling voor had. Als vertaler liet hij zich nu eenmaal leiden door zijn persoonlijke literaire voorkeuren, door wat hij ‘mijn lijn’ noemde (brief van Sandfort aan Van Loghum Slaterus, 22 juli 1930).

Die ‘lijn’ tekent zich af in de vierenveertig boeken die hij tussen 1928 en 1958 vertaalde. Uit de lijst van vertalingen spreekt een opmerkelijke belangstelling voor spraakmakende en vaak als schandalig aangemerkte literatuur met een experimenteel karakter; van het zestiende-eeuwse, carnavaleske avonturenboek van Rabelais, de kluchtige Decamerone (ca. 1360) van Boccaccio en de vrijmoedige Mémoires (eind achttiende eeuw) van Casanova tot Voyage au bout de la nuit (1932), de nihilistische schelmenroman van Louis-Ferdinand Céline, en moreel controversiële boeken als Les Faux-monnayeurs (1925) van André Gide en Lady Chatterley’s Lover (1928) van D.H. Lawrence. Door deze boeken te vertalen verrichtte hij pionierswerk.

Ook het ogenschijnlijk ‘lichtere’ werk schuwde hij niet, mits hij er literaire kwaliteit in ontdekte. ‘Ik leef van de hand in de tand van wat ik met het vertalen van boeken en hoorspelen verdien,’ schreef Sandfort in 1958 aan een neef. In dat jaar verschenen maar liefst tien boekjes met vertalingen van Sandforts hand in de twaalfdelige reeks ‘Erotische verhalen uit de wereldliteratuur’, uitgegeven door de in Groningen en Amsterdam gevestigde firma Internationale Romanuitgaven. Deze naamloze vennootschap stond bekend als uitgever van prikkelende ontspanningslectuur en werd geleid door Jan Bloemsma. Deze uitgever putte bij zijn keuze uit de erotische literatuur graag uit de Europese literaire canon. De reeks bracht onder andere werk van Casanova. In de flaptekst werd het boekje (De zusters Marton en Nanetta) aangeprezen als ‘volkomen oprecht’ in de beschrijving van het liefdesspel, vrij van huichelachtigheid en ‘zogenaamde hoogere gevoelens’. Dit paste in de lijn van Sandfort en dat gold ook voor de deeltjes met zeventiende- en achttiende-eeuwse, burleske en pikante teksten van Comte de Caylus (pseudoniem van Anne Claude de Tubières-Grimoard de Pestels de Lévis, 1692-1765), Pierre Victor de Besenval (1721-1794), Henri de Voisenon (pseudoniem van Claude-Henri de Fusée, 1708-1775) en Jacques Cazotte (1719-1792). Voor enkele delen kon worden geput uit eerdere vertalingen van Sandfort, zoals voor het tiende deel in de reeks, een boekje met vijf verhalen uit de Decamerone.

Waardering
Vooral Sandforts vertalingen uit het Frans oogstten waardering, zowel van romanisten als van critici in kranten en tijdschriften. De lovende inleidingen die Pieter Valkhoff, vermoedelijk in opdracht van de uitgevers, schreef voor de uitgaven van Sandforts vertalingen van Rabelais en Céline verleenden niet alleen professoraal gezag aan deze uitgaven, maar zetten ook de toon voor de ontvangst van de vertalingen in de literaire kritiek. Valkhoff benadrukte het tegendraadse en schokkende karakter van beide werken, de waarachtigheid en ‘natuurlijke oprechtheid’ van hun auteurs, de ‘beklemmende betovering’ van Céline, de ondogmatische spot van Rabelais en bovenal de kwaliteiten van hun vertaler, wiens ‘bewerking’ van Gargantua et Pantagruel had geresulteerd in ‘een geheel oorspronkelik kunstwerk’. Op zijn beurt dankte Sandfort de geleerde romanist in de opdracht van de Rabelais-vertaling ‘voor àl zijn peetvaderlijke bemoeienissen’. Ook critici die morele bezwaren hadden tegen het werk van auteurs als Rabelais en Céline prezen de vertaler. Zo verwoordde recensent, romanist en collega-vertaler Martin Premsela, geen liefhebber van Céline, zijn ‘reusachtige bewondering voor wat de vertaler, een der allerbeste die ik ken, hier weer gewrocht heeft’ (Nederlandsche Bibliografie, april 1934).

Ook Lady Chatterley’s Lover van D.H. Lawrence stuitte op morele bezwaren van Nederlandse critici, voornamelijk vanwege de erotische scènes. De wijze waarop Lawrence de seksualiteit beschreef liet weinig te raden over, al hadden Nederlandse critici meer oog voor de filosofie en de moderniteitskritiek die uit het boek spreken. Sandfort vertaalde de geruchtmakende, ongekuiste versie van de roman. De ontvangst van Lady Chatterley’s Minnaar was lauwtjes. In Critisch Bulletin van december 1951 merkte Jacq. den Haan op dat de vertaling niet zonder kreukels was; over een voorbeeld van een al te letterlijke vertaalslag lezen we: ‘Trouw, maar wel lelijk!’ Dat de houdbaarheid van vertalingen doorgaans beperkt is, blijkt uit het lot dat Sandforts werk uiteindelijk trof: veel van zijn vertalingen werden na enkele decennia vervangen door nieuwe. Het is de ironie van de geschiedenis dat juist zijn meest bekritiseerde vertaling, die van Lady Chatterley’s Lover, de meest duurzame is gebleken. In 2012 nog werd Sandforts vertaling van de roman opnieuw uitgegeven in de reeks Verboden Boeken van de Volkskrant.

‘Het zijn altijd halve of hele martelaren,’ schreef Gerard Reve op 26 juli 1990 aan zijn uitgever Bert de Groot over vertalers van literatuur. Richard Huijing, die werkte aan de Engelse vertaling van Reve’s roman Bezorgde ouders, deed hem wat dat betreft denken aan ‘de grote Nederlandse vertaler Sandfort’, die Reve bewonderde als vertaler van Céline. Ondanks alle waardering die zijn beste vertalingen ten deel viel kan het verhaal van Sandfort niet anders dan tragisch worden genoemd. Uit de weinige documenten die hij naliet spreekt een ontembare vertaaldrift, maar ook een hartverscheurende eenzaamheid. Zijn gedrevenheid en de vele initiatieven die hij nam en waarmee hij uitgevers bestookte resulteerden in vertalingen van teksten die zonder die inspanningen vermoedelijk pas veel later of wellicht nooit in Nederland bekend waren geworden. Het is niet onopgemerkt gebleven.

Met dank aan dr. Peter Altena en drs. Iris Börger voor het delen van hun kennis over Sandfort en voor inzage in gepubliceerd en ongepubliceerd materiaal.

Mathijs Sanders en Janine R. Mooij

Terug naar overzicht >>>

Dit bericht werd geplaatst in de categorie Vertalers vanuit het Engels, Frans.