Gerardine Franken, 1920-2004

Gerardine Franken was het vergund vertalingen te mogen maken van werk van Djuna Barnes, James Joyce en Virginia Woolf: drie van de meest vooraanstaande auteurs uit de Engelstalige literatuur van de twintigste eeuw. Bij twee van hen betrof het ook nog eens hun belangrijkste boek. Haar vertaaloeuvre, begonnen toen zij niet meer de allerjongste was en in zekere zin voortijdig gestopt, is niet omvangrijk, maar bestaat voor een substantieel deel uit literaire meesterwerken; haar debuut, het befaamde Nachtwoud van Djuna Barnes, verscheen in 1963, toen zij 43 was.

Zij werd als Gerardina Maria Franken op 29 maart 1920 geboren in ’s Gravenhage en was een dochter van Maria Aletta Louisa – Ietje – van Wely (1879-?)  en van Arien Franken (1873-?). In 1950 trouwde Gerardine in Wassenaar met Wilhelmus Johannes Coster (1915-?), maar dat huwelijk werd vijf jaar later al ontbonden. Alles wijst op een goede, beschermde komaf, ook het feit dat ze de eerste tien jaar van haar leven in Egypte doorbracht en daar onder de hoede stond van een gouvernante. Zij moet haar talen goed geleerd en gekend hebben, met name het Engels.

Van een gevolgde studie is niets bekend, maar het verband met het vertalen is snel gelegd. Een jaar na haar scheiding trad Gerardine in 1956 te Utrecht namelijk in het huwelijk met Jan Hendrik Willem Schlamilch (1906-?) – deze Schlamilch publiceerde als vertaler onder de naam John Vandenbergh en zou in 1970 laureaat van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs worden. Franken werkte enige tijd met hem samen, maar uiteindelijk zijn ook zij niet bij elkaar gebleven (hun huwelijk leed begin jaren zeventig schipbreuk). In de tweede helft van haar leven woonde zij voor de helft van het jaar in Amsterdam-Zuid en voor de andere helft in Harfsen in de Achterhoek. Gerardine Franken overleed op 24 oktober 2004 in Amsterdam, de gemeente waar zij vanaf 4 december 1956 ingeschreven stond. De rouwadvertentie in de krant werd ondertekend door twee executeurs testamentair en vermeldde als beroep ‘Vertaler Engels’ en haar roepnaam: Gerry. Gerardine Franken is ter aarde besteld op Oud Eik en Linde in haar geboorteplaats Den Haag. Voor het overige geldt zij als grotendeels vergeten, ware het niet dat haar bijzondere vertalingen nog altijd overeind staan en ook nog worden herdrukt.

De kringen rond Franken & Vandenbergh
Dat zij met Vandenbergh een echtpaar vormde, is vertaalhistorisch gezien interessant, want hij was sinds begin jaren vijftig een vertaler van naam, iemand van wie een belangstellende zich intussen ook een beeld heeft kunnen vormen. Hun huwelijk (1956-1971) beslaat in feite de periode waarin in Nederland volop aandacht werd gevraagd voor het werk van James Joyce (1882-1941), wat resulteerde in de eerste vertaling van Ulysses, waarvoor Vandenbergh de Nijhoffprijs in ontvangst mocht nemen. In de aanloop naar zijn Ulysses-publicatie en erna vertaalde Franken eveneens werk van Joyce. Aangenomen mag worden dat de vertalingen voor een groot deel tot stand kwamen in Harfsen, waar de gemeenschappelijke boerderij in 1964 in opdracht van ‘J. van den Bergh’ verbouwd werd door Jan Cornelis Rietveld, de zoon van Gerrit Rietveld. Allebei vertaalden ze ook William Faulkner (Vandenbergh enkele romans, Franken een enkel verhaal), maar toch moet worden aangemerkt dat er volgens Franken zelf nauwelijks samengewerkt werd ‘en dat ze buiten hem om met vertalen is begonnen’. Op het moment dat zij deze uitspraak doet in het enige interview met haar dat bekend is (1997) werkte Franken aan de vertaling van Virginia Woolfs Between the Acts, maar die is nooit verschenen. Franken werkte wel degelijk met anderen samen, onder meer met Leo Knuth (leefjaren onbekend). Knuth was eveneens een Joyce-expert en nam feitelijk de rol van Vandenbergh over (het laatste teken van samenwerking met Vandenbergh is Bloomsdag, 1965). De samenwerking met Knuth vormde de aanloop naar hun gemeenschappelijke vertaling Een portret van de kunstenaar als jongeman uit 1972 (feitelijk was de samenwerking begonnen bij Giacomo Joyce, 1969; naar verluidt hadden de twee ook enige tijd een relatie). Franken noemt de vertaling van het cultboek Nightwood van Djuna Barnes (1892-1982) een eigenstandige productie; het boek moet haar lief zijn geweest, in ieder geval publiceerde zij er in 1979 een tweede, herziene druk van. Toch ligt het voor de hand dat de opdracht tot het vertalen ervan voortvloeide uit het netwerk waarin zij zich bewoog. De veertien jaar oudere Vandenbergh was een bekende in literaire kringen en werd gezien als een deskundige op het gebied van de Engelstalige literatuur en het vertalen ervan. In de eerste jaren na de oorlog was hij kind aan huis bij uitgeverijen als De Driehoek, Contact en De Bezige Bij en een regelmatige gast in de salon van Coos Frielink aan de Valeriusstraat in Amsterdam-Zuid. Rond hem komen we de namen tegen van Bert Schierbeek, Gerard van het Reve, James Holmes en Jan Wolkers, via hem maakte Franken als zijn vrouw ook deel uit van die kringen.

Ook Franken refereerde aan de Bezige Bij-auteur Schierbeek, in een brief waaruit blijkt dat ze zich in de jaren vijftig, in ieder geval vanaf 1956, in toonaangevende Amsterdamse literaire kringen bewoog. Als ze in 1978 in een brief aan de vooraanstaande criticus Pierre H. Dubois  (1917-1999) pleit voor een vertaling van het door Camus tot toneelstuk bewerkte Requiem for a Nun van Faulkner, bedankt ze hem voor een ‘bijzonder vleiende opdracht in Over Simenon’ en voegt daaraan toe dat afgezien van Schierbeek bijna niemand haar ooit zulke lovende woorden heeft toegevoegd, ‘en wat Bert betreft heb ik wel eens zo’n idee dat hij niet mijn “mooie geest” stond te loven, maar dat kan ook komen doordat ik waarschijnlijk experimentele teksten niet zo goed begrijp’ (brief Franken aan Pierre H. Dubois, 16 april 1978). Aan Dubois schrijft Franken soms persoonlijker, bijvoorbeeld op 2 februari 1980, als ze even de sluier oplicht van haar eigen Werdegang: ‘Toen ik jong was, eigenlijk zo lang ik terugdenken kan, heb ik politiek correspondent of militair waarnemer willen worden (ja, en dat in het begin jaren ’30). In ’40 zou ik naar de Sorbonne gegaan zijn om politiek te studeren (die Haagse Courant was maar een kijken hoe ik het vond), maar het hoefde niet… Hitler bracht zijn universiteit bij mij thuis, te denken dat ik een tweede Geneviève Tabouis wilde worden, wat zeg ik, veel groter natuurlijk, je moet nooit zo laag grijpen –. Enfin, uiteindelijk, na veel baantjes na de oorlog ben ik op “vertalen” uitgekomen. Gelukkig een tweede keus die zover van de eerste afligt dat ik geen frustraties hoef te verwerken. Maar “de krant” was mijn eerste liefde, vandaar het weggepinkt traantje’ (Franken aan Dubois, brief van 2 februari 1980). De internationaal opererende Tabouis, een befaamde historica en journaliste (1892-1985), vooral in de jaren dertig en veertig, was een voorbeeld voor Franken.

Belang onderzoek, expertise & netwerken
Franken ging bij al haar vertaalwerk grondig en studieus te werk. De expertise waar zij uit putte is na te gaan aan de hand van de aantekeningen en dankzeggingen bij haar vertalingen: aan Nachtwoud wordt een inleiding van T.S. Eliot toegevoegd; Bloomsdag is voorzien van behoorlijk specialistische aantekeningen door Vandenbergh, die in zijn nawoord blijkt geeft van zijn bewondering voor de vertaalster ‘voor het onuitputtelijk geduld en het grote inzicht waarmee ze een volkomen getrouwe weergave van de louter Joyciaanse tekst heeft gegeven’. Franken betuigt daarop haar dank ‘aan een groot aantal experts, die haar (…) met waardevolle adviezen hebben terzijdegestaan’. Onder hen Bert Voeten, die zij bedankt voor de vertaling van enkele Yeats- en Shakespearecitaten. Bij Stephen D., dat een nawoord kent van de befaamde Joycekenner Fritz Senn, zorgt Franken zelf voor aantekeningen; in haar dankwoord worden behalve Senn nog prof. dr. A.M.E. Draak, prof. C.J. Burckhart B.A., MA., Ph.D. bedankt voor het bijstaan, ‘en niet het minst gaat haar dank uit naar degene die haar met zoveel geduld en welwillendheid heeft geadviseerd wat betreft de katholieke terminologie’. Giacomo Joyce kent wederom een nawoord van Fritz Senn en een voorwoord en aantekeningen van een andere expert van internationale faam, Richard Ellmann. Nu staat voorin in het boek: ‘De vertaalster is veel dank verschuldigd aan drs. A.M.L. Knuth, Fritz Senn, en aan N.N., die haar heeft geadviseerd wat betreft de katholieke terminologie.’ Echtgenoot Vandenbergh lijkt op dat moment naar de achtergrond geschoven. De volgende vertaling, Een portret van de kunstenaar als jongeman, is een coproductie van Gerardine Franken en Leo Knuth. Je moet erop bedacht zijn dat pas achter in het boek (en op het titelblad onvermeld) een inleiding volgt, inclusief aantekening, een flinke bibliografie en plattegronden van Dublin. Er wordt een uiteenzetting over de gehanteerde vertaalopvattingen aan toegevoegd en er wordt dank betuigd aan Mr. G.J.H. de Leeuw te Haarlem; voor de katholieke allusies zijn nu oude missalen en gebedenboeken gebruikt plus twee Bijbelvertalingen. De twee gingen niet over één nacht ijs.

Rond de vertalingen van Franken ontvouwde zich een belangrijk netwerk van deskundigen en andere medewerkers. Dat bleef zich weerspiegelen in de dankzeggingen. Het toneelstuk Ballingen kent een nawoord van de hand van kenner Bernard Benstock; de co-vertalers Franken en Knuth verklaren dank verschuldigd te zijn aan Drs. G.A. Hunderman, Pater J.H.B. Nieuwhof SJ, Mej. Elka Schrijver en (toch weer) Vandenbergh. In Overloop, met een nawoord van Shari Benstock, worden door Franken naast pater Nieuwhof ook W.J. Sutherland, Mr. G.L. Kepper en John Byrne bedankt, de laatste ‘voor kopieën van brieven en andere Barnesiana uit de privéverzameling van de literator James Stern’. Aan de herziene vertaling van Nachtwoud wordt een aantekening van de vertaler toegevoegd waarin zij Oscar Timmer bedankt, de redacteur van De Bezige Bij voor wie zij in het kader van een bloemlezing een verhaal van Faulkner vertaalde; voorts duiken wederom Sutherland, Hunderman en Nieuwhof op, nu samen met ‘de heer H.H. Kloos en de vele anderen die allen op hun eigen gebied eindeloos vragen hebben beantwoord’. Daarnaast betuigt zij haar dank aan het echtpaar Benstock – Bernard een Joyce-kenner en hoogleraar in Miami, Shari een ‘feminist literary scholar’, ook in Miami en een vooraanstaand kenner van het werk van Barnes. Aan de Orlando-vertaling wordt, als steeds, de precieze broneditie toegevoegd en worden speciale naslagwerken genoemd zoals Knole and the Sackvilles; het Shakespearecitaat is ontleend aan de vertaling van Burgersdijk – ook hier een aantekening waarin vertaalopvattingen worden gedebiteerd. Dank wordt betuigd aan Elka Schrijver (voor ‘kunsthistorische details en voor het feit dat zij als klankbord heeft gefungeerd’), aan Mr. H.C.S. Warendorf, die ‘zijn rijke juridische kennis en ervaring beschikbaar heeft gesteld, aan de neef en biograaf van Virginia Woolf, Quentin Bell, aan J.W. Lugard (‘voor de nautische termen’) en ten slotte aan H.H. Kloos, ‘die de literair-psychologische taal in het laatste hoofdstuk heeft nagekeken’.

Dit mag tot de conclusie leiden dat Franken zich voor haar vertalingen omringde met experts in binnen- en buitenland, voor vaktalige termen en uiteenzettingen specialisten raadpleegde en trouw was aan de mensen op wier kennis zij eenmaal vertrouwde. Zij werkte dus ook graag samen met anderen; aan de aantekeningen in Een portret, waarvoor zogezegd ook Knuth verantwoordelijk was, gaat een motto uit Prediker vooraf: ‘Met tweeën is beter dan alleen; dit geeft beiden een groot voordeel bij het werk.’ Franken verdiepte zich met andere woorden zeer in de boeken die zij vertaalde en las er uitgebreid omheen. De attitude die zij daarbij aanhield is wetenschappelijk te noemen. De vertalingen zullen bijgevolg niet onder tijdsdruk tot stand zijn gekomen. Van een financieel motief om te vertalen is nergens een spoor te vinden.

Djuna Barnes

Haar debuut: Nachtwoud van Djuna Barnes
Nachtwoud van Djuna Barnes werd twee keer vertaald door Franken, allereerst in 1963, en daarna nog eens in 1979. In de tekst op het stofomslag van de eerste uitgave worden ‘de grootse stijl van de roman’ en de ‘schoonheid van de bewoordingen’ genoemd en gewezen op het ‘lastig[e] Engels’. De superlatieven zijn ontleend aan T.S. Eliot, van wie een bekend essay als inleiding is toegevoegd. Daarin wijst hij vooral op de thematiek en de ‘verzameling persoonsschilderingen’, maar kwalificeert hij het als ‘proza dat door en door leeft’, dat iets van de lezer eist ‘dat de gewone romanlezer niet bereid is te schenken. Te zeggen dat Nachtwoud in de eerste plaats tot lezers van poëzie zal spreken wil niet zeggen dat het geen roman is, maar wel dat het een zo goede roman is dat slechts ontvankelijke en aan het lezen van poëzie gewende lezers die geheel kunnen waarderen’ (p. 8). Met die uitspraken worden de allerhoogste eisen aan de vertaler gesteld, zeker aan iemand die debuteert. Stilistisch – en thematisch, de schilderingen van de personages en de verwikkelingen zijn indringend, bizar en intrigerend – blijft het boek ook in vertaling overeind. Nochtans vond Franken dat zij haar vertaling moest herzien. De versie van 1979 lijkt preciezer, iets minder gewrocht; de ‘dochs’ zijn geschrapt en het navenante plechtstatige taalgebruik is wat gedempt; zinsconstructies zijn aangepast en verhelderd – hier is een ervarener vertaler aan het werk, al kan de spontane kracht van de eerste vertaling een hedendaagse lezer nog steeds verleiden. Een korte proeve, die de taalvaardigheden van de vertaler laat zien:

Zo’n vrouw is de bacteriëndraagster van het verleden; als wij haar zien, pijnigen ons de spieren van ons hoofd en onze kaken – wij zouden haar kunnen verslinden, zij die zelf de dood op zijn terugtocht verslond, want slechts dan kunnen wij ons gezicht vlijen tegen het bloed op de lippen van onze voorvaderen. (1963, p. 55-56)

Een dergelijke vrouw is de ‘bacillendraagster’ van het verleden: in haar tegenwoordigheid doen ons hoofd en onze kaken pijn tot diep in het bot – wij krijgen het gevoel dat wij haar zouden kunnen verslinden, zij de verslonden dood die terugkeert, want pas dan leggen wij ons gezicht tegen het bloed op de lippen van onze voorvaderen. (1979, p. 57-8)

Een langere proeve, inclusief het Engelse fragment, is hier te vinden.

Vandenbergh had in 1950 (in De Gids) het boek al als ‘groots’ aangeduid. De langverwachte vertaling werd druk besproken en niet door de minsten. Sybren Polet schreef in Het Vrije Volk van 28 september 1963: ‘Het vertalen van dit boek, met zijn barokke taal, zinsritme en beeldspraak, was (…) een waagstuk waar ik in het begin niet erg in geloofde. Maar tijdens het lezen steeg mijn bewondering: dezelfde intensiteit die het oorspronkelijk werk kenmerkt, bleek hier in een even rijk Nederlands overgezet.’ Hij noemt Nachtwoud een van de beste prozavertalingen van de laatste jaren (pleit tussendoor voor een systeem van subsidiëring van vertalingen ‘zoals dat ook in Zweden gebeurt’) en spreekt bovendien de hoop uit dat Franken vaker wordt aangezocht als vertaler. Hij levert meteen een wensenlijstje bij met daarop Virginia Woolf, van wie zij inderdaad Orlando zou vertalen, en Under the VulcanoUlysses en The Sound and the Fury: drie boeken die terecht zouden komen bij haar echtgenoot (sic). Polet suggereert wel een duovertaling, wat Frankens opmerking dat zij nooit samen vertaalden en dat zij buiten Vandenbergh om aan vertalen was begonnen, in een bijzonder licht zet. Later zullen ook Frans Kellendonk en Jacq Vogelaar met waardering over haar Nachtwoud schrijven. Kellendonk ging in zijn bespreking (‘De dieren in het nachtwoud’, NRC Handelsblad, 22-10-1982) in op een fragment uit het hoofdstuk ‘Wachter, wat is er van de nacht’ en zegt dan: ‘Voor alle eerlijkheid: deze vertaling is niet helemaal die van Gerardine Franken. Zij geeft lyrische passages als bovenstaande niet precies naar de letter en nogal omslachtig weer. Ik geef het je ook te doen, om een proza te vertalen dat zo vaag is en daarbij zo concreet lijkt.’ Vogelaar (in Orientaties. Kritieken en kommentaren 2, p. 87) zei het volgende toen de herziene versie verscheen: ‘De eerste vertaling van Nachtwoud verscheen in 1963. Voor deze herdruk heeft de vertaalster haar hele vertaling herzien. Wanneer je de twee versies naast elkaar legt blijkt er een heel nieuwe versie ontstaan te zijn, waarbij opvalt dat er veel minder “uitleggend” vertaald is en de gedrongen, duistere stijl meer dan in de eerste vertaling intact is gebleven; en misschien is de vertaling van een boek als dit ook nooit echt af.’

De Joyce-hype in de jaren zestig
Vanaf begin jaren zestig zag de ene na de andere Joycepublicatie het licht, in 1970 afgesloten met het verschijnen van de eerste Nederlandse Ulysses. Bij Joyce komt een aantal vertalerslevens samen, en dit zal de nodige spanningen hebben opgeleverd. In ieder geval bedankte Vandenbergh zijn vrouw expliciet toen hij zijn Ulysses-vertaling ‘om tweeërlei redenen’ aan haar opdroeg, ‘ten eerste, omdat zijzelf zulk een voortreffelijk en nauwgezet Joyce-vertaalster is en, ten tweede, omdat ze de moeilijkheden, de verzuchtingen, soms de vertwijfeling, heeft moeten meemaken’. De opmaat tot Joyce werd in 1965 bij De Bezige Bij gegeven toen Allan M’Clellands toneelstuk Bloomsdag in het Nederlands van Franken verscheen met aantekeningen en een nawoord van Vandenbergh. Het was ook internationaal een tijd van koortsachtige Joyce-activiteit. Het echtpaar was in ieder geval aanwezig op het eerste internationale James Joyce-symposium in Dublin, aldus Senn in Joycean Murmoirs. Senn was de voorzitter van het tweede symposium (in 1969, weer in Dublin, steevast uiteraard op en rond de 16e juni), waar onder meer een sessie ‘Problems of Translation’ op de agenda stond. Daaraan werd deelgenomen door Vandenbergh en Knuth, wetenschappelijk medewerker aan de Rijksuniversiteit Utrecht, kenner van Finnegans Wake en als gezegd de latere vertaler, samen met Franken, van Joyces Portrait. Aan het derde symposium (1971 in Triëst) besteedde Adriaan van der Veen al van tevoren aandacht (in NRC Handelsblad in zijn rubriek CS Journaal, 7 mei 1971): ‘Uit ons land zullen in elk geval aanwezig zijn, de vertaler van Ulysses, zijn vrouw Gerardine Franken, die het enkele jaren geleden gevonden werkje van Joyce vertaalde, Giacomo Joyce, en vermoedelijk de grote kenner van Finnegans Wake, Leo Knuth van de universiteit van Utrecht.’ Joyce is dan duidelijk in ons taalgebied gearriveerd. Of Franken daadwerkelijk aanwezig is geweest, zoals Van der Veen aankondigt, is onbekend; de scheiding van Vandenbergh is immers gaande en werd in augustus 1971 officieel.

In de jaren zeventig kreeg Franken (samen met Knuth) een forse aanval te verduren, van Paul Beers in een artikel waarboven deze kop prijkte: ‘Zelfportret van James Joyce bedroevend slecht vertaald’. Beers stak zijn teleurstelling over de vertaling niet onder stoelen of banken en diste een behoorlijk aantal ‘lelijkheden’ op, waardoor Joyce volgens hem vertaald werd ‘alsof hij een dichter van ónze generatie van 1910 was’. Twee dagen later ontving Beers een brief van Max Schuchart (die A portrait al eerder vertaald had) die hem bijviel. Franken en Knuth antwoordden in een ingezonden stuk in de Volkskrant (24-3-1973) waarin zij ingingen op de geopperde bezwaren. Die betroffen veelal afzonderlijke woorden terwijl de vertalers wezen op grotere verbanden. In brieven aan Pierre Dubois wordt duidelijk hoe gegriefd Franken was. Daarvoor gebruikte zij het woord ‘wonde’, naar aanleiding van een voorval op een vertalersavond waarop Peter Verstegen haar ‘binnen de eerste twee minuten’ vertelde dat haar wijze van vertalen en geen enkele van haar vertalingen deugden, zich daarbij verlatende op Beers (brief aan Pierre H. Dubois, Harfsen, 25 april 1979), met daarin ook de verzuchting: ‘Als het niet zo intreurig was, zou het geheel lachwekkend geweest zijn. Die man onderricht nu vertalen! U begrijpt dat het voorval toch een enigszins bittere smaak heeft achtergelaten, vandaar dat uw lovende woorden [in Het Vaderland over Flush en Paardedief van Faulkner, tn] dubbel welkom waren.’

‘Wie zich de moeite wil geven de vertaling met de oorspronkelijke tekst te vergelijken zal merken dat er zo min mogelijk aan Joyces tekst is getrokken,’ hadden Knuth en Franken in hun aantekeningen geschreven en nader verklaard in een noot: ‘Waar dit wel het geval is, werd het bewust gedaan, bijvoorbeeld om de thematische herhaling van een woord te bewaren, of om een woordspeling, het ritme of een bepaald klankeffect te redden’ (p. 329). Aan de eerdere, nog maar tien jaar oude vertaling van hetzelfde boek door Max Schuchart, Het portret van de jonge kunstenaar (1962), wordt niet gerefereerd. Overigens begint het boek bij Franken en Knuth geheel anders – gedragener, minder vereenvoudigd. Cees Koster analyseerde in 2006 de Portrait-vertaling (en vond haar ‘een genot’): ‘De vertaling van Gerardine Franken en Leo Knuth volgt dit principe [veel registers en stijlvormen gebruiken, tn] evenzeer. Maar een vertaling die alleen maar volgt kan slechts braaf zijn. Deze vertaling is een echte durfvertaling, een vertaling waarin de vertalers keuzes durven te maken die tegen de verwachting ingaan, maar de tekst alleen maar goed doen. De vertalers vormen een kennelijk uiterst geschikt duo voor deze vertaling. Gerardine Franken is een professioneel vertaalster die actief was in de jaren zeventig en tachtig en die vooral veel werk van modernistische schrijvers heeft vertaald (onder meer van Virginia Woolf, De golven en Orlando). Leo Knuth is een Joyceaan, die veel publicaties in de James Joyce Quarterly op zijn naam heeft staan. De vertaling stamt uit 1972 (en beleefde in 2002 een zevende druk) en heeft de perfecte toon voor een vertaling van een boek dat zestig jaar daarvoor is geschreven: enigszins gedragen zonder archaïsch te worden’ (p. 71–72).

Leo Knuth had zich in die jaren ontwikkeld tot een internationaal erkend Finnegans Wake-specialist. Roland McHugh noemt hem in The Finnegans Wake Experience een ‘leading FW-scholar’ (p. 60). Knuth leverde ook aardig wat bijdragen aan A Wake Newslitter, een in kleine kring verspreid, gestencild tijdschrift met wonderbaarlijk gedetailleerde informatie over de Wake. In volume VII, nr. 4 van augustus 1970 voert hij Gerardine Franken op die meer weet van een van de Indonesische restaurants die Joyce bij zijn bezoek in Den Haag in 1927 bezocht had (Waroong Djawa, waar ook schilderijen hingen van de Javaanse schilder Basoeki Abdullah). Knuth promoveerde in 1976 op Joyce met de studie The Wink of the Word: a Study of James Joyce’s Phatic Communication. Daarin vertelt hij verder over discussies in Amsterdam waarbij Joycekenners als Senn en Matthew Hodgart aanwezig waren. In het bijzonder wordt een sessie genoemd van april 1970 ten huize van ‘mrs. Franken’, die (soms, en ook in de index van het boek) opgevoerd wordt als Gerry Franken. Er waren veertien mensen in haar salon aan de Sophialaan aanwezig, maar ze droegen niet allen bij aan de discussie, die door McHugh als volgt weergegeven wordt: ‘The first meeting was probably the best. About fourteen people sat comfortably in armchairs in Gerry Franken’s large front room’ (in O’Neill & Senn, p. 98). Senn vertelt in zijn Joycean Murmoirs dat hij langzaamaan betrokken raakte bij het Joycegebeuren in Nederland, kennismaakte met onder anderen De Leeuw, Rein Bloem (die de eerste vertaling van Dubliners maakte) en dat hij bevriend raakte met Franken: ‘She was tenacious in the pursuit of details, as translators ought to be’. Daarvoor waren de Joycekenners al op bezoek geweest in Utrecht, toen daar Vandenberghs Ulysses op 28 november 1970 in het Academiegebouw ten doop werd gehouden in aanwezigheid van ‘de televisie’. Men had elkaar ook privé ontmoet ten huize van mr. De Leeuw in Haarlem, alwaar besloten was tot intense internationale uitwisseling. Over de boekpresentatie en de paneldiscussie in het Utrechtse Academiegebouw werd uitgebreid geschreven in Levende Talen, dat in 1970 een Joycenummer samenstelde (onder redactie van Marius Buning met bijdragen van Knuth, Vandenbergh, Senn en met aantekeningen bij de vertalingen, die steeds bekritiseerd, aangevuld en verbeterd moesten worden en ook werden).

In dat bewuste Joycenummer is ook een bijdrage van Franken te lezen, een zeldzaamheid, want zij was paratekstueel oneindig veel spaarzamer en terughoudender dan Vandenbergh. Het betreft een proeve van vertaling van Een portret van de kunstenaar als jongeman, voorzien van een minieme introductie en een tiental noten (Franken 1970). Opvallend is de inzet van een motto: ‘Et ignotas animum dimittit in artes’ (uit de Metamorphosen van Ovidius). Ze neemt het over van Joyce, die ermee op de obscure kunsten van Daedalus wijst. Daedalus wil Icarus laten vliegen, de Stephen van Joyce wil schrijven, de vertaalster wil vertalen, ‘een kunst zoals nog nooit vertoond is, nieuw in de natuur’, zoals M. d’Hane-Scheltema vertaalde.

Virginia Woolf

De introductie van Virginia Woolf
Na de oorlog verschenen in Nederland de eerste vertalingen van werk van Virginia Woolf (1892-1941): Mrs. Dalloway door Nini Brunt in 1948 en Een kamer voor jezelf door C.E. van der Waals-Nachenius in 1956. Een groot succes waren die destijds niet. Midden jaren zeventig nam het aantal vertalingen toe en werden de vertalingen door Brunt en Van der Waals-Nachenius herdrukt. In de aanloop naar Orlando vertaalde Franken nog het bekende boek van Nigel Nicolson over zijn ouders – het verscheen in het Nederlands onder de titel Portret van een huwelijk en werd goed verkocht en steeds herdrukt. Zijn moeder, Vita Sackville-West, had een poosje een relatie met Woolf, waardoor de nieuwsgierigheid naar haar werk, toch al groot door het feministische cachet ervan, werd gewekt.
Eind jaren zeventig verschenen Frankens vertalingen van Woolfs oorspronkelijke werk. Toen Franken midden jaren negentig met haar Shetland sheepdog Piet de ene helft van de maand in Harfsen woonde, de andere in Amsterdam-Zuid (‘Een fietsenrek? Denk je dat de mensen in deze buurt fietsen? Ze rijden zelfs naar de bakker met hun BMW!’) interviewt Annemiek Neefjes haar vooral vanwege haar ‘voorliefde’ en vertalingen van het werk van Virginia Woolf. ‘Woolf vertalen doe ik voor de leut. Niet om haar dichter bij me te krijgen, ik wás al dicht bij haar, anders kun je er niet eens aan beginnen, haar boeken zijn godsmoeilijk. Ik streef er in mijn vertalingen naar zo dicht mogelijk bij haar denkwezen te komen, dát is de hoofdzaak. Heb je de film Orlando gezien? Steengoed! Meestal vind ik iets steenslecht. Die filmmaker had de geest van Woolf in film gevangen’. Franken noemde de maanden research die ze in Woolf stopte en de noodzaak van hervertaling, ‘eigenlijk elke tien jaar’. Woolf vertalen ‘betekent in een andere wereld leven, een die niets met afwas en koffieklets te maken heeft’. Ze is duidelijk onder de indruk van Woolf, in wier huid zij graag kroop, iets dat met Joyce hoegenaamd niet het geval was: ‘Hij raakt bij mij geen enkele snaar’.

Frankens Orlando begon eerst zo: ‘Hij – en er viel niet te twijfelen aan zijn geslacht, hoewel de mode dier dagen er toe bijdroeg dit te verhullen – stond juist gereed de Morekop te klieven die aan de hanebalken bengelde.’ In latere drukken werd dit licht gemoderniseerd tot: ‘Hij – en er viel niet te twijfelen aan zijn geslacht, hoewel de mode van die tijden ertoe bijdroeg dit te verhullen – stond juist gereed de morenkop te klieven die aan de morenkop bengelde.’ De vertaling werd begroet, maar ontving ook kritiek. Hannemieke Postma verwelkomde het boek vanwege wat zij ‘gesluierd feminisme’ doopte, maar kon het niet nalaten op een paar oneffenheden in de vertaling te wijzen:

Toch – en het lijkt onvermijdelijk – is Orlando in het Engels leuker. Gerardine Franken heeft werkelijk erg veel zorg aan de vertaling besteed: zo zijn bijvoorbeeld alle verschillen die Virginia Woolf in haar stijl aanbrengt – van archaïsch proza tot bijna-poëzie – getrouwelijk gevarieerd weergegeven. Maar misschien is Woolfs ironie zo licht dat zij in de vertaling vaak wegvalt waardoor de stijl onvermijdelijk af en toe pompeuzerig aandoet? Soms lijkt het Nederlands onhandig, waar het Engels begrijpelijker is: ‘Happy the mother who bears, happier still the biographer who records the life of such a one! Never need she vex herself, nor he invoke the help of novelist or poet.’ wordt vertaald als: ‘Gelukkig de moeder die zo iemand het leven schenkt, nog gelukkiger degene die dit beschrijven mag. Nooit zal haar taak haar een kwelling worden, of hij de hulp van romanschrijver of dichter hoeven in te roepen.’ Zonder het Engels erbij is de laatste zin vrijwel onbegrijpelijk vanwege het eerste (en lelijke, want herhaalde) of voor ‘nor’. Een een zin als ‘zijn haren waren donker, zijn oren klein en lagen dicht tegen zijn schedel’ is te onjuist om de nabootsing van Woolfs ritme te kunnen rechtvaardigen. Maar laat deze kritiek geen ontmoediging zijn, opdat we toch vooral binnen afzienbare tijd het volledige oeuvre van Virginia Woolf in het Nederlands zullen mogen begroeten.

Ook hier speelt het bijzondere taalgebruik van Franken een rol en de verschillende waardering die critici in de loop der tijd hadden voor het gedragen of archaïsche karakter ervan. Warren noemt haar vertaling in ieder geval bewonderenswaardig: volgens hem heeft Franken ‘met zoveel extra liefde dit moeilijke werk’ vertaald, ‘tot en met het uitvoerige register dat deze pseudo-biografie besluit. Een prestatie, overal, maar vooral in de rijmelende dwaze gedeelten tegen het einde.’

Een enkele vertaalopvatting ten slotte
In 1982 vroeg het tijdschrift New Found Land voor zijn rubriek ‘Vertaallaboratorium’ Franken en anderen (Rein Bloem, Anneke Brassinga, het vertaalduo Paul Claes en Mon Nys) om een vertaling te maken van een pagina uit Finnegans Wake. Franken lichtte haar vertaling toe, voegde er aardig wat voetnoten aan toe alsmede een literatuurlijst, hetgeen wederom getuigde van een gedegen, uiterst serieuze aanpak. Ook nu weer dankt zij Joycekenners persoonlijk, onder hen Dr. Fritz Senn. Hier is eindelijk een glimp te zien van hoe Franken over vertalen dacht:

De volgende vertaalproeve aangevuld met een toelichting moet gezien worden als één van de mogelijke vormen van tekstverklaring van de betreffende bladzijde. Bij het vertalen zijn bepaalde klankeffecten, allusies en betekenissen verloren gegaan en, wat betreft de Armeense woorden die alleen een plaats hebben gevonden in de toelichting, zelfs een hele dimensie. Ondanks de exegese en de zekere “vindingrijkheid”, bij experimenteel vertalen vereist, ziet de vertaler zich in Finnegans Wake telkens weer tegenover schier onoplosbare problemen geplaatst. Hoe frustrerend dit ook zijn moge, het zal hem in ieder geval ervoor behoeden na enkele goede “vondsten” in een stemming van zelfoverschatting uit het oog te verliezen dat Finnegans Wake in wezen onvertaalbaar is’ . (p. 45)

Anneke Brassinga was hier haar tegenpool en pakte het geheel anders aan, in ieder geval met veel humor. Ze had geprobeerd ‘dit stukje tekst in zichzelf te vertalen, of in wat door mijn hoofd wemelde na langdurig lezen in Finnegans Wake. Van mijn Nederlands was toen niet veel meer over dan flarden als “sigilposted in our brievingsbust”. Aangezien mijn woordwellust het wint van de lust me te verantwoorden over mijn schamele kennis van de diepere lagen in Finnegans Wake, heb ik eerder liefdevol verkracht dan zinnig verhelderd’ (p. 50). De aanpak van Franken mikte duidelijk meer op een wetenschappelijk verantwoorde vertaling, met een enigszins plechtstatig respect voor de taal waarmee zij die van Joyce moest weergeven. Ook toen ze Nightwood opnieuw vertaalde liet zij zien hoe diepgravend en serieus ze te werk ging. Tevens bedankte ze – naast redacteur Oscar Timmers, die vermoedelijk een grote rol gespeeld heeft in de eindfase van haar bij De Bezige Bij verschenen vertalingen – een aantal deskundigen en twee wetenschappers ‘die samen met vertaler de Engelse tekst hebben doorgewerkt’ (p. 209). Uiteindelijk heeft zij als denker over vertalen de meeste sporen achtergelaten in Een portret van de kunstenaar als jongeman: dat boek maakte ze ‘met tweeën’, een voorbeeldige uitgave met aantekeningen, foto’s, een bibliografie en een inleiding waarin met nadruk de eigen ‘feilbaarheid’ uitgesproken werd.

Frankens laatste literaire vertaling stamt uit 1985. Aan het eind van haar leven moet zij vereenzaamd zijn geweest, afgaande op een mail van de nieuwe bewoonster van Klein Bielder, mevrouw Dorothé van Oene (7 juni 2016): ‘Wat wij van Mw. Franken weten is, dat ze inderdaad Engelse vertaalster was en voor de mensen hier in het dorp een beetje zonderling. Wat wij weten is dat ze kind noch kraai had. Daarvoor vertaalde zij voor een plaatselijke kerk nog een tekst van een bekende prediker uit de Schotse hooglanden John Kennedy (1819-1884): Het eiland van melaatsen. De uitgave met een woord vooraf en biografische schets over de auteur door P. de Vries werd uitgegeven onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad van de Nederlandse Hervormde Kerk van Elspeet. Maar toen was het al aardig stil rond haar en in hoeverre er religieuze beweegredenen waren voor haar vertaling is niet bekend.’

Het loont de moeite Frankens vertaalwerk nader te bekijken, met name het door haar hervertaalde boek van Djuna Barnes. Een onderwerp voor een dissertatie zou een beschrijving zijn van het netwerk van Joycespecialisten in de jaren vijftig, zestig en zeventig, zowel in Nederland als internationaal. Voor zover bekend is er geen archief bewaard van Franken, wier vertaalwerk zich in de receptie toch te veel op de achtergrond gedrongen werd, ten gunste vooral van de mannen met wie zij samenwerkte.

Ton Naaijkens

 

Gebruikte literatuur
Briefwisseling tussen Gerardine Franken en Pierre H. Dubois, Letterkundig Museum, signatuur PHD omslag G. Franken.

Andringa, Els. 2006. ‘Penetrating the Dutch Polysystem: The Reception of Virginia Woolf, 1920-2000’, Poetics Today, 27:3, p. 501–568.

Andringa, Els. 2006. ‘”Wij missen ten onzent een Virginia Woolf…”. Entree en onthaal van Virginia Woolf in het interbellum’. Nederlandse letterkunde, jg. 11, p. 279-301.

Asma, Tineke van. 1977. ‘Orlando’. De Revisor, jg. 4, nr. 2, p. 73–75.

Barnes, Djuna. 1936. Nightwood. London: Faber and Faber.

Beekman, Klaus & Mia Meijer. 1973. Kort revier. Gerard Reve en het oordeel van zijn medeburgers. Amsterdam: Erven Thomas Rap/Athenaeum – Polak & Van Gennep.

Beers, Paul. 1973. ‘Zelfportret van James Joyce bedroevend slecht vertaald’, de Volkskrant, 3 maart.

Brassinga, Anneke. 1982. ‘Verantwoording’, New Found Land, 2:2, p. 50.

Buning, Marius (ed.). 1970. Levende Talen. Special Issue James Joyce, p. 413-484.

Dubois, Pierre. 1977. ‘Virginia Woolf en de emancipatie: Het vrouw-mannelijke in Orlando’. Het Vaderland, 28 februari.

Franken, Gerardine. 1970. ‘Een portret van de kunstenaar als jongeman’, Levende Talen. Special Issue James Joyce, p. 443-447.

Haan, Jacques de. 19672James Joyce. Amsterdam: De Bezige Bij.

Jansen, S.J., E. 1960. ‘46.804 Schierbeek, Bert’, Boekengids, 38, p. 305.

Joyce, James. 1962. Het portret van de jonge kunstenaar. Vertaald door Max Schuchart. Rotterdam: Ad. Donker.

Joyce, James. 1970. Ulysses. Vertaald door John Vandenbergh. Amsterdam: De Bezige Bij. Met een afzonderlijk boekdeel Aantekeningen bij Ulysses.

Kellendonk, Frans. 1982. ‘De dieren in het nachtwoud’, NRC Handelsblad, 22-10-1982 (herdrukt in: id. 2015. Verzameld werk. Amsterdam: Meulenhoff, dl. 2, p. 359-365).

Knuth, Leo. 1970. ‘Correspondence’, A Wake Newslitter, Volume VII, nr. 4 (August), p. 63. Cited after A Wake Newslitter. Berkeley, Los Angeles: University of California Press 1981.

Koster, Cees. 2006. ‘Getroffen door de klokjes der sluimering’, Filter, 13:3, p. 69-75.

Maas, Nop. 2009. Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. Deel 1 – De vroege jaren 1923-1962. Amsterdam: Van Oorschot.

McHugh, Roland. 1981. The Finnegans Wake Experience. Berkeley, Los Angeles: University of California Press.

Naaijkens, Ton. 2010. ‘Henri Miller en de lagere hartstochten. Een vertaalgeschiedenis uit de jaren zestig’, Filter, 17:4, p. 7-15.

Neefjes. Annemiek. 1997. ‘In hun huid. Gerardine Franken & Virginia Woolf. Vertalers over de schrijver die ze het liefst vertalen. “Bij Woolf staat niets er zomaar”’, Vrij Nederland, 2 augustus.

O’Neill, Christine & Fritz Senn. 2007. Joycean Murmoirs. Dublin: Lilliput Press.

Polet, Sybren. 1963. ‘James Joyce: Het portret. Djuna Barnes: Nachtwoud. Twee meesterwerken’, Het Vrije Volk, 28 september.

Postma, Hannemieke. 1976. ‘Gesluierd feminisme van Virginia Woolf’. NRC Handelsblad, 19 november.

Schouten, Wim. 1988. Een vak vol boekenHerinneringen aan veertig jaar leven in en om de uitgeverij. Amsterdam: De Bezige Bij.

Veen, Adriaan van der. 1971. ‘CS Journaal’, NRC Handelsblad, 7 mei.

Vogelaar, J.F. 1983. Orientaties. Kritieken en kommentaren 2. Nijmegen: SUN.

Warren, Hans. 1977. ‘Virginia Woolfs Orlando een grillige fantasie’. Provinciale Zeeuwse Courant, 12 februari.


Terug naar overzicht >>>

 

Dit bericht werd geplaatst in de categorie Vertalers vanuit het Engels.