Emanuel Kummer, 1926-2016

Emanuel (Mani) Kummer bekleedt een bijzondere plaats in de Nederlandse vertaalgeschiedenis. Zijn reputatie als vertaler verhoudt zich omgekeerd evenredig tot de omvang van zijn vertaaloeuvre. Kummer is de vertaler van één auteur en van die auteur vertaalde hij één boek: Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline (1894-1961), de revolutionaire roman die in 1932 een literaire sensatie was in Frankrijk en waarvan de eerste Nederlandse vertaling uit 1934, door J.A. Sandfort, als verouderd gold. Kummers vertaling van Voyage au bout de la nuit verscheen in december 1968 bij uitgeverij G.A. van Oorschot en zou vele malen ongewijzigd worden herdrukt, vanaf 1989 ook in de vorm van de door Jacques Tardi geïllustreerde beeldroman. In 1971 verscheen nog een door Kummer samengestelde en vertaalde selectie uit de brieven, beschouwingen, polemieken en interviews van Céline onder de titel Van de ene dood naar de andere. Dat boek beoogde een zo volledig mogelijk beeld te geven van de omstreden Franse auteur en bevatte onder meer een aantal fragmenten uit de beruchte antisemitische pamfletten die Céline tussen 1937 en 1941 had geschreven. Hoewel Kummer het vertalen van latere werken van Céline aan anderen overliet (zijn academische werkzaamheden namen hem in beslag), zou hij zijn leven lang in de ban blijven van deze schrijver.

Tegelijk met dit portret schreef Mathijs Sanders voor Filter, tijdschrift over vertalen een boeiend artikel over E. Kummer in het nummer 33:2. Het artikel is hier te vinden.

Een leven met Céline
Emanuel Kummer werd geboren in Amsterdam op 19 november 1926 als zoon van een Franse moeder met Algerijns bloed en een tot Fransman genaturaliseerde vader. Hij groeide tweetalig op in Saigon. Wanneer hij terugdacht aan zijn ouders dan herinnerde hij zich hun zucht naar avontuur. Na de vroege dood van zijn vader in 1933 ontfermden een oom en tante in Bussum zich over hem. Zijn eigen verlangen naar avontuur werd daar aangewakkerd door de vele boeken die zij hem voorlazen, en door de padvinderij. In 1943 deed hij eindexamen Mulo-B, de school waar hij dankzij een inspirerende leraar Nederlands kennismaakte met het werk van Multatuli. Om aan tewerkstelling in Duitsland te ontsnappen dook Kummer onder in het Drentse dorp Vledder. Na de bevrijding trok hij naar het land van zijn moeder. Uit verlangen naar avontuur en verre reizen nam hij in 1945 vrijwillig dienst in het Franse koloniale expeditieleger. Hij werd gestationeerd in Indochina. Spoedig drong het besef door dat hij had meegevochten in ‘een hele smerige oorlog’ en hij beëindigde zijn contract voortijdig, zo vertelde hij Leo Siepe in een radiogesprek in 1997. Wel had hij in het leger van alles geleerd, zoals soldatentaal, waar veel meer leven in zat dan in het formele, precieuze Frans.
Precies die ongepolijste taal hoorde hij terug in het boek dat hem in 1951 in handen viel: Voyage au bout de la nuit van Louis-Ferdinand Céline. Een boekhandelaar in Nice had het hem onder de toonbank aangereikt, want Céline gold vanwege zijn collaboratie met de Duitsers en zijn antisemitisme als een zeer omstreden schrijver. Uit vrees voor represailles was Céline in juni 1944 samen met zijn vrouw Lucette, de kat Bébert en een vals identiteitsbewijs (maar met achterlating van zijn manuscripten) via Duitsland naar Denemarken gevlucht, waar hij op verzoek van de Franse overheid werd gedetineerd en waar hij na zijn vrijlating in 1947 tot 1951 zou blijven, ervan overtuigd dat oud-verzetsstrijders het op hem gemunt hadden.
Nadat Kummer in 1957 via het staatsexamen zijn gymnasiumdiploma had behaald studeerde hij Franse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij wilde leren en weten. Studeren werd het nieuwe avontuur. Van 1963 tot 1969 werkte hij als leraar Frans aan de Gerrit van der Veen meisjes-HBS in Amsterdam-Zuid. In 1969 haalde de hoogleraar Sem Dresden hem als wetenschappelijk medewerker naar de vakgroep Franse Taal- en Letterkunde van de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij in 1975 zou overstappen naar de vakgroep Algemene Literatuurwetenschap. In 1985 promoveerde hij bij Dresden en coreferent H.A. Gomperts op een literatuursociologisch proefschrift: Literatuur en ideologie. Proust en Ter Braak. Een voorgenomen dissertatie over het effect van de romantechniek van Céline had Kummer niet gerealiseerd. Zijn negatieve gevoelens jegens de schrijver gingen steeds zwaarder wegen en in Frankrijk was er al veel over Céline gepubliceerd, zo liet hij interviewer Ischa Meijer in 1990 weten. Wel wist hij Céline zijn proefschrift binnen te smokkelen, om te beginnen in de stellingen. Zo luidde de achtste stelling:

Célines diepe rancune tegen de Duitse bezetters in Frankrijk, tegen de Vichy-aanhangers en collaborateurs, is te verklaren uit zijn opvatting dat zij zich als halfzachte bourgeois gedroegen en niet als harde nazi-ideologen die een radicale racistische revolutie hadden uit te voeren.

Het was de uitgever Geert van Oorschot die Kummer ruim twintig jaar eerder had overgehaald om Voyage au bout de la nuit te vertalen. Hoe de twee met elkaar in contact kwamen is niet te achterhalen, maar mogelijk had Van Oorschot bij andere vertalers bot gevangen en was hij door gemeenschappelijke kennissen op het spoor gezet van Kummer. In 1962 informeerde Van Oorschot bij uitgeverij Gallimard naar de mogelijkheden Voyage in een Nederlandse vertaling uit te brengen. Van Oorschot verwierf de vertaalrechten, die volgens contract op 21 februari 1966 zouden vervallen. Er was dus haast geboden, in de wetenschap dat het een complex en omvangrijk boek betrof.
Begin 1965 kon Van Oorschot een contract voorleggen aan Kummer. Voor het bedrag van 3200 gulden zou deze de klus moeten klaren. Kummer ging voortvarend aan de slag, maar het vertalen kostte hem meer tijd dan voorzien. De kopij kwam in porties naar het uitgeverspand aan de Herengracht. Een ongeduldige uitgever maande Kummer om toch vooral op te schieten. ‘Je bent zo’n uitermate knappe vertaler dat dit je mogelijk moet zijn. Je moet m.i. de ongerechtvaardigde angst overwinnen dat je vertaling niet goed genoeg zou zijn,’ luidde het in een brief van 10 mei 1968. In het najaar was het einde van de reis dan toch in zicht en in december 1968 lag Reis naar het einde van de nacht in de boekwinkel, ‘vertaald door E.Y. Kummer’: de vertaler had de voorletter van zijn echtgenote Yvonne Santina Kummer-Bitter toegevoegd aan zijn eigen naam, als dank voor haar hulp bij het nakijken van de vertaling.
Hoewel aan Céline in 1951 amnestie was verleend, waardoor hij vanuit zijn ballingsoord in Denemarken kon terugkeren naar Frankrijk, en hij literair werd gerehabiliteerd toen zijn oudere en nieuwe romans werden opgenomen in het fonds van uitgeverij Gallimard, bleef hij vanwege zijn antisemitische opvattingen een internationaal omstreden auteur. Daarvan was Kummer zich zeer bewust. Hij wilde dan ook een strikte scheiding aanbrengen tussen het vroege werk van Céline – de eerste twee romans: Voyage au bout de la nuit en Mort à crédit – en het werk van na het eerste geruchtmakende pamflet, Bagatelles pour un massacre (1937). Met die latere Céline wilde hij eigenlijk niets te maken hebben.
Maar juist dat latere werk stak als een kiezel in zijn schoen. Toen een zekere mevrouw C. Cats van Raalte uit Bilthoven via een ingezonden brief aan het Algemeen Handelsblad van 5 maart 1969 (in de rubriek ‘Lezers vragen het woord’) bezwaar aantekende tegen de vertaling van ‘een antisemitisch boek’, diende Kummer haar een week later in dezelfde rubriek van repliek: ‘De heer Van Oorschot en ik zouden geen letter van de “Voyage” uitgegeven resp. vertaald hebben, als in dit werk ook maar één spoor van antisemitisme te bekennen was geweest.’ De tierende antisemiet uit de pamfletten viel hier nog niet te beluisteren. Toch was dat spoor er wel degelijk, zoals Kummer later ook zou toegeven. Doelend op de vrede van 1918 had de verteller in het zevende hoofdstuk van Voyage het (in Kummers vertaling) over ‘dat loeder […] dat uitzinnig en wanhopig in het stof op de maat van Angelsaksisch joodse negermuziek’ hotste.
Wat bekendstond als ‘het probleem Céline’ – hoe je te verhouden tot het werk van een schrijver die er abjecte denkbeelden op nahoudt? – speelde weer op toen aan Kummer in 1972 de Martinus Nijhoffprijs werd toegekend. In haar rapport prees de jury (onder voorzitterschap van S. Dresden) Kummers vertaalkunst: ‘De exuberantie en stylistische overdrijving zijn met een grote beheersing van het Nederlands èn het Frans overgezet en wéérgegeven.’ Hoewel zij geen verantwoordelijk droeg voor Célines fascistische, antisemitische denkbeelden wilde de jury het daar niet bij laten. Zij sprak er haar afschuw over uit. ‘En zij doet dat des te gemakkelijker, omdat zij meent te weten dat de heer Kummer in dat opzicht niet voor haar onder wenst te doen.’ Hier was ‘een weerzinwekkend literair verschijnsel met groot talent en ondanks de totaal andere houding van de vertaler toch met inzicht, met begrip en, als men de uitdrukking goed verstaan wil, zelfs met sympathie in het licht van een andere taal geplaatst.’
In zijn dankwoord schreef Kummer dat Reis naar het einde van de nacht vooral een roman was over ‘de schijnheiligheid, de zelfverzekerdheid en de ongekende pretenties van de mensen, over al die tonnen slijmerige flauwekul die ze moeiteloos opbrengen om elkaar te belazeren en zichzelf ook’. De kritiek in de roman op oorlog en kolonialisme was onverminderd actueel. Maar voor het racisme van de auteur was geen enkel begrip mogelijk. Céline plaatste Kummer voor het probleem ‘dat een politiek te verwerpen auteur een magistrale roman kan schrijven’. Was het nu maar zo dat alle linkse auteurs goed schreven en alle rechtse slecht. ‘Misschien is het wel andersom. Ik moet er niet aan denken.’
De vraag hoe het mogelijk was dat Céline zulke gevaarlijke nonsens uitkraamde zou Kummer zijn leven lang bezig blijven houden. Hij zocht naar antwoorden en deed dat als vertaler, essayist en romanschrijver. Kort voor de uitreiking van de Nijhoffprijs, in september 1971, verscheen in de Floretreeks van De Arbeiderspers een door hem samengestelde en becommentarieerde bloemlezing met brieven en documenten van Céline onder de titel Van de ene dood naar de andere. Door die uitgave kwamen ook fragmenten uit de beruchte pamfletten in het Nederlands beschikbaar. Over de strekking daarvan was Kummer eenduidig: ‘Céline is antisemiet, in de meest letterlijke en vulgaire zin.’ Van de ene dood naar de andere was een waagstuk. Kummer plaatste zijn reputatie in de waagschaal door een volledig beeld van de schrijver te geven, de pamfletten inbegrepen.
Kummers bloemlezing wilde een waarschuwing zijn, temeer daar ‘de gevaarlijke nonsens die Céline op papier uitkraamde’ een groot deel van de Fransen had aangesproken. Een deel van die nonsens was nu in het Nederlands beschikbaar, zoals dit fragment uit het pamflet L’École des cadavres:

De joden, Afro-aziatische bestaarden, kwart negers, halve negers en Midden-Oosterlingen, losgeslagen zedeloze troep, hebben niets in dit land te maken. Ze moeten opsodemieteren. ’t Zijn onze niet te assimileren parasieten, verderfelijk, rampzalig, in alle opzichten, biologisch, moreel en sociaal, verrottende zuignappen. De joden zijn hier tot onze ellende […].

Céline zou hem niet meer loslaten. Na zijn vervroegde pensionering schreef Kummer twee romans waarin de hoofdpersonages zich moeten verhouden tot de persoon, het werk en de denkbeelden van de Franse schrijver. In 2006 culmineerde zijn fascinatie voor Céline in een omvangrijke monografie onder de titel Céline, een briljante boef. De strekking van dit boek luidt dat men de kwaliteit van Célines beste boeken niet kan verwerpen op grond van zijn politieke ideeën, hoewel de pamfletten en de romans volgens hem stilistisch en verteltechnisch nauwelijks van elkaar verschillen. Tegelijkertijd moest men inzien dat de Céline van na 1936 door en door fout was. Het was volgens Kummer belangrijk om hem te begrijpen, zonder zijn racistische opvattingen te vergoelijken. Als zelfverklaarde ‘vormaanhanger’ was het Kummer vooral om stijl en techniek te doen: het groteske, het carnavaleske, de muziek. Het portret dat hij van Céline schetst is caleidoscopisch: een weergaloze schrijver en een ideologische leuteraar, een pacifist en een opportunist, een moderne schrijver met een reactionaire inborst, die het sublieme en het abjecte met elkaar laat versmelten tot een groteske voorstelling.

Foto ©chrisvanhouts

Opvattingen en oeuvre
Kummer, die zichzelf altijd als een autodidact bleef beschouwen, hield er geen expliciete vertaalpoëtica op na. In interviews liet hij wel blijken dat hij de grote stijlvernieuwing van Céline – het injecteren van het formele Frans door spreektaal en soldatenjargon – belangrijk vond en dat het omzetten daarvan in het Nederlands geen sinecure was. Wie zicht wil krijgen op Kummers opvattingen en vertaaltechniek kan zijn vertaling leggen naast de oorspronkelijke Franse tekst en de eerdere vertaling van Sandfort uit 1934. Of hij die kende en gebruikte is niet bekend. Bij wijze van voorbeeld vergelijk ik hier de eerder genoemde gewraakte passage: de eerste twee alinea’s van het zevende hoofdstuk. Die luiden in het Franse origineel:

Déjà notre paix hargneuse faisait dans la guerre même ses semences.
On pouvait deviner ce qu’elle serait, cette hystérique rien qu’à la voir s’agiter déjà dans la taverne de l’Olympia. En bas dans la longue cave-dancing louchante aux cent glaces, elle trépignait dans la poussière et le grand désespoir en musique négro-judéo-saxonne. Britanniques et Noirs mêlés. Levantins et Russes, on en trouvait partout, fumants, braillants, mélancoliques et militaires, tout du long des sofas cramoisis. Ces uniformes dont on commence à ne plus se souvenir qu’avec bien de la peine furent les semences de l’aujourd’hui, cette chose qui pousse encore et qui ne sera tout à fait devenue fumier qu’on peu plus tard, à la longue.

Sandfort vertaalde deze passage als volgt:

Reeds schoot onze broeierige vrede in de oorlog zelf haar zaad uit.
Het liet zich raden wat het met haar worden zou, met die hysterica, alleen reeds door haar druk te zien doen in de Olympia bar. Beneden in de lange lugubere cave-dancing met zijn honderd spiegels trappelde zij in het stof en de groote wanhoop in Saksisch-Joodsche negermuziek. Britten en Zwarten dooreengemengd. Levantijnen en Russen, men vond er overal, rookend, brallend, melankoliek en militair, de karmozijnen sofa’s zaten er mee vol. Die uniformen, waarmee men nu veel moeite begint te krijgen om ze voor de geest te halen, waren het onkruid van de dag, dat goed dat nog uitschiet en eerst over eenige tijd geheel en al mesthoop geworden zal zijn, als we maar geduld hebben.

Kummer vertaalde:

Al in de oorlog werd het zaad van onze beroerde vrede uitgestrooid. Je kon al raden waar ’t op uit zou lopen, met die vrede, dat hysterische kreng, je hoefde alleen maar in de Olympia bar te gaan kijken als dat loeder druk in de weer was. Beneden in de lange, uit honderd spiegels loensende dancing-kelder hotste ’t uitzinnig en wanhopig in het stof op de maat van Angelsaksisch joodse negermuziek. Britten en negers door elkaar, Levantijnen en Russen, je zag ze overal, rokend, lawaaiig, triestig en in uniform, in lange rijen op de purperen sofa’s. Die uniformen, die je je nu nog maar nauwelijks kunt herinneren, waren de eerste kiemen voor de dag van heden, dat ding dat nog steeds uitschiet en dat pas over enige tijd tenslotte helemaal mest geworden zal zijn.

Op het eerste oog blijft Sandfort dichter bij de oorspronkelijke tekst dan Kummer. Zo respecteert hij de alineaovergang na de eerste zin en telt zijn vertaling van deze passage zes zinnen, evenals het origineel. Dat Sandfort dicht bij de oorspronkelijke zinsconstructies bleef, heeft ook tot gevolg van zijn vertaling wat stroef is. Kummer nam meer afstand van de geleding en syntaxis van de Franse tekst. Van de twee alinea’s maakte hij er een, waardoor de pauze na de eerste zin vervalt. Het geheel bestaat bij Kummer uit vijf zinnen, doordat hij de zelfstandige zin ‘Britanniques et Noirs mêlés’ laat volgen door een komma, waarna de opsomming van groepen mensen doorgaat. Kummers vertaling is daardoor ook vloeiender dan het origineel en dan de vertaling van Sandfort.
Interessant is ook dat Kummer de personificatie van de ‘cave-dancing’ verder doorzet dan Sandfort. Waar Sandfort schreef over een ‘lugubere’ kelder, daar koos Kummer voor ‘loensende’. En dan is er nog de vertaling van ‘semences’ in de eerste (‘ses semences’) en laatste zin (‘les semences’) van het Franse origineel. Sandford koos voor achtereenvolgens ‘haar zaad’ en ‘het onkruid’, Kummer voor ‘het zaad’ en ‘eerste kiemen’. De militaire uniformen van eertijds zijn opgeschoten uit het zaad van een vrede die nadrukkelijk als een vrouw wordt voorgesteld (‘cette hystérique’) en wier aard ‘hargneuse’ (bitter, bijtend, agressief) is. Door ‘les semences de l’aujourd’hui’ te vertalen als ‘het onkruid van de dag’ (Sandfort) krijgen die zaden iets tijdelijks (als in: de waan van de dag). Kummer koos voor ‘de eerste kiemen voor de dag van heden’, waardoor de zaden de oorsprong vormen van iets dat nog maar net begonnen is, maar dat onvermijdelijk tot een nieuwe woekering van rampspoed zal leiden.
Opmerkelijk is verder de vertaling van ‘musique négro-judéo-saxonne’ als ‘Saksisch-Joodsche negermuziek’ (Sandfort) en ‘Angelsaksische joodse negermuziek’, gevolgd door respectievelijk ‘Britten en Zwarten’ (Sandfort) en ‘Britten en negers’ (Kummer) als vertaling van ‘Britanniques et Noirs’. De vertaling van Sandfort is niet alleen meer naar de letter, maar lijkt ook beter te beantwoorden aan wat anno 2026 als maatschappelijk correct wordt erkend (zwart) dan die van Kummer.

Waardering
Reis naar het einde van de nacht werd lovend ontvangen. Dat de vertaling veel aandacht kreeg had onmiskenbaar te maken met de reputatie van de in 1961 gestorven Céline als een van de meest omstreden schrijvers van de twintigste eeuw, en met het feit dat er nu voor het eerst in ruim dertig jaar weer een werk van hem in een Nederlandse vertaling verscheen. De toekenning van de Martinus Nijhoffprijs aan Kummer droeg verder bij aan de bekendheid van de vertaler en zijn werk. Vanaf 1973 zou het boek minstens iedere twee jaar worden herdrukt. Daarmee behoort de Reis nog altijd tot de meest succesvolle vertaalde titels in het fonds van Van Oorschot.
De eerste recensies verschenen begin 1969. De meeste besprekingen zijn voornamelijk inleidende beschouwingen over de persoon Céline en zijn eerste roman. In de Volkskrant (3 februari 1969) noemde ‘Hopper’ (columnist Nico Scheepmaker), in zijn populaire rubriek ‘Zeg er ’ns wat van…’, Kummers vertaling ‘een herschepping die zich laat lezen als, als, wel, als Voyage au bout de la nuit door een Parijzenaar anno 1932’. In dezelfde krant prees Kees Fens later die week (8 februari) de nieuwe vertaling. In Het Vrije Volk (21 februari) stelde Alfred Kossmann dat de Nijhoffprijs alvast maar aan Kummer moest worden toegekend. Hij had een meesterlijke vertaling van een meesterwerk gemaakt, ‘een volkomen eigentijds Nederlands boek […], dat aan de kwaliteiten van het origineel niets te kort doet’.
Dat zijn twee romans een minder gunstig onthaal kregen, stoorde Kummer enorm. Hij had weliswaar geen literaire pretenties, maar wilde wel een effect bij de lezers sorteren. Tegenover interviewer Theodor Holman (in 1994 in De Groene Amsterdammer): ‘Godverdomme, vijfhonderd kilometer hier vandaan worden de mensen in mekaar geschoten, terwijl wij hier lekker zitten te lullen over literatuur. Godverdomme! Ik heb het daar toch wel eens moeilijk mee. Maar ik los geen problemen op, hoor. Een roman is niet om problemen op te lossen.’
Met zijn vertaling stond Emanuel Kummer aan het begin van een stroom van nieuwe vertalingen van het werk van Céline. Jan Versteeg en Frans van Woerden zouden de vertalingen van latere werken van de Franse schrijver voor hun rekening nemen, waardoor medio jaren negentig vrijwel het gehele oeuvre van Céline voor Nederlandstalige lezers beschikbaar was. Ook de drie romans die 2021 opdoken uit duizenden verloren gewaande handgeschreven bladzijden – Oorlog, Londen en De wil van koning Krogold – werden binnen enkele jaren in het Nederlands vertaald, achtereenvolgens door Rokus Hofstede, Reintje Ghoos & Jan Pieter van der Sterre en Tatjana Daan.
Bij zijn overlijden in 2016 herdacht NRC Emanuel Kummer als een ‘explosieve charmeur met groot talent voor ruzie’, maar vooral als de meester-vertaler van dat ene boek, dat generaties lezers in zijn ban houdt.

Mathijs Sanders

Met dank aan Stijn van der Loo en Deen van der Zaken voor het mogen gebruiken van het beeld uit hun korte documentaire, hier te zien: De Vertalersgalerij.
Ook onze dank aan fotograaf Chris van Houts voor de toestemming. 


Gebruikte literatuur

Fens, Kees. 1969. ‘Célines loodgrijze visie op de mens’, in: De Tijd, 8 februari 1969.

Fortuin, Arjen. 2015. Geert van Oorschot, uitgever. Amsterdam: Van Oorschot.

Francken, Eep en Em. Kummer. 1990. ‘Einde koppelkoers’, in: Over Multatuli, 25, p. 77-81.

Holman, Theodor. 1994. ‘Céline, Mani Kummer: “Toen ik Céline las was het alsof ik weer in het leger zat”’, in: De Groene Amsterdammer, 9 maart 1994.

Hopper [Nico Scheepmaker]. 1969. ‘Zeg er ’ns wat van…’, in: de Volkskrant, 3 februari 1969.

Kossmann, Alfred. 1969. ‘Meesterlijke vertaling van Frans meesterwerk’, in: Het Vrije Volk, 21 februari 1969.

Lesmeister, Maurits. 2021. ‘Nog altijd je ingewanden. Het lef van Kummer’, in: Filter. Tijdschrift over vertalen 28, 3, p. 65-70.

Lewin, L. 1985. ‘Echt boos over het gedrens van morele kleuters’, in: de Volkskrant, 3 augustus 1985.

Loo, Stijn van der. 2012. Filmportret van Emanuel Kummer voor de website vertalersgalerij.nl.

Maas, Nop. 2010. Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. Deel 3: De late jaren, 1975-2006. Amsterdam: Van Oorschot.

Meijer, Ischa, ‘Een uur Ischa’, VPRO Radio, 11 september 1990, geraadpleegd via https://schatkamer.beeldengeluid.nl

Mooij, Janine R. en Mathijs Sanders. 2019. ‘“Ik heb de flair, om teksten goed te vertalen, die ik soms pas veel later ga begrijpen”. Over vertaler J.A. Sandfort’, in: Zacht Lawijd 18, 4, p. 45-64.

Naaijkens, Ton. [2016]. ‘De rest hoort aan de nacht’, in: Filter. Tijdschrift over vertalen, https://tijdschrift-filter.nl/webfilter/vrijdag-vertaaldag/2016/week-34-ton-naaijkens/

Opheffer [Theodor Holman]. 2024. ‘Meester Kummer’, in: De Groene Amsterdammer, 19 september 2024, p. 67.

Ros, Martin. 1972. ‘In gesprek met E. Kummer’, in: Vrij Nederland, 22 januari 1972.

Sanders, Mathijs en Janine R. Mooij. [2019]. ‘Josephus Adrianus Sandfort, 1893-1959’, in: Vertalerslexicon voor het Nederlandstalig gebied (vertalerslexicon.nl).

Siepe, Leo, ‘Een leven lang [gesprek met Emanuel Kummer]’, Radio 5, 2 oktober 1997. Archief Beeld en Geluid, geraadpleegd via https://schatkamer.beeldengeluid.nl

Vermeulen, Frank. 2016. ‘Explosieve charmeur met groot talent voor ruzie’, in: NRC, 19 augustus 2016.

Zoon, Cees. 1990. ‘Getroffen door de bliksem van Céline’, in: de Volkskrant, 14 september 1990.

Het juryrapport van de Nijhoffprijs 1972 en het dankwoord van Kummer zijn te vinden op de website vertaalverhaal.nl. De briefwisselingen tussen Van Oorschot en Kummer bevindt zich in de collectie van het Literatuurmuseum.

Terug naar overzicht >>>

Dit bericht werd geplaatst in de categorie Vertalers vanuit het 1900--2000, Frans.