De Obe Postma-prijs (1984-heden)

Sinds 1984 wordt op initiatief van de Provinciale Staten van Fryslân de Obe Postma-prijs uitgereikt voor de beste vertaling in of uit het Fries in alle genres. Tot 2012 werd deze prijs iedere drie jaar, daarna iedere vier jaar uitgereikt. De prijs, ter hoogte van aanvankelijk 4000 gulden, later 2000 euro, brengt de waardering voor een literaire prestatie tot uitdrukking zoals die geleverd werd in de vorm van een of meer vertalingen. Een algemener doel van de Provincie Fryslân is het om door middel van deze prijs de Friese literatuur meer bekendheid te geven, met name onder de Friese bevolking.

Obe Postma. (Foto: Frans   Popken, Tresoar-argyf.)

Achtergrond
Het Fries kent, als tweede officiële taal in Nederland, een eigen, redelijk uitgebreide kennisinfrastructuur waar ook de literatuur deel van uitmaakt. Friese schrijvers publiceren in het Fries, meestal bij Friese uitgeverijen. Dit ‘literaire veld’ is voldoende compleet om autonoom ten opzichte van het Nederlandse te kunnen functioneren. Het kent ook een eigen prijzenstelsel, waarvan de vertaalprijs genoemd naar Obe Postma (1868-1963), één van Frieslands bekendste dichters, er een is.

Postma was leraar wis- en natuurkunde aan de Rijks-HBS te Groningen. Behalve op zijn eigenlijke vakterrein – hij was gepromoveerd als natuurkundige – publiceerde hij in zijn
lange leven zowel poëzie alsook wetenschappelijke historische studies over het Friese gebied langs de Noordzeekust. Zijn poëzie was naar de vorm hybride. Hij schreef zo op het oog bedrieglijk eenvoudige dorpskrantrijmpjes maar ook modernistisch aandoende poësie parlante. Niet alleen zijn reputatie als dichter droeg eraan bij dat de prijs naar Obe Postma werd vernoemd. Hij was ook zelf een kundig vertaler van Duitse, Nederlandse, Oud-Saksische, Chinese en Arabische poëzie. Bekend zijn vooral zijn vertalingen in het Fries van het werk van de Duitse modernist Rainer Maria Rilke (1875-1926) en de negentiende-eeuwse Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886).

Europese minderheidstalen, zoals het Fries, danken hun tegenwoordige erkenning vooral aan de periode van het romantisch (of cultureel) nationalisme. Overal in Europa werden rond 1800 op initiatief van burgerlijke elites regionale of minderheidstalen en -culturen gecultiveerd en een van de strategieën om de status daarvan te verhogen was de vertaling van belangrijke buitenlandse werken in die taal. In de Encyclopedia of Romantic Nationalism in Europe (2018) wordt nader op dit verschijnsel ingegaan.

Geart Tigchelaar, winnaar 2016. (Foto: Haye Bijlstra, Tresoar.)

Ook in het Fries deed dit verschijnsel zich voor. Zo werd al in 1829 werk van Shakespeare in het Fries vertaald (The Merchant of Venice en Julius Caesar door Rinse Posthumus). Daarnaast was minstens even belangrijk dat voortdurend ook allerlei internationale populaire literatuur werd vertaald en/of bewerkt, een praktijk die tegenwoordig wordt voortgezet in de vele vertalingen van Engelstalige songteksten. In Friesland bestaat van oudsher grensverkeer tussen talen en ook een doorlopende praktijk van schriftelijk vertalen. Deze levert nog steeds een aanzienlijk aantal vertalingen in en uit het Fries op, waaruit jury’s van de Obe Postma-prijs kunnen kiezen. Gemiddeld verschijnen er jaarlijks zo’n dertig vertalingen, soms uit maar meestal in het Fries.

 De prijs zelf: winnaars, werken, jury’s
In het geval van de Obe Postma-prijs is een zekere ontwikkeling zichtbaar. Aanvankelijk bestond er een voorkeur voor hoog-canonieke literatuur, de laatste jaren neigt de keuze meer naar de wat populairdere middle-brow-genres. Onder de bekroonde titels komen we werken tegen als Nietzsches Also sprach Zarathustra (2002), Sophocles’ tragedies (1993) en Bijbelse Psalmen en Gezangen (1984), maar vanaf 1996 ook toegankelijker werk als een vertaling van enkele Tom Poes-strips van Maarten Toonder (1996), Bomans’ Erik of het klein insectenboek (2016) en Tolkiens The Hobbit (2012).

Boekomslag It Kwea-each

Opvallend is dat de prijs tweemaal is uitgereikt voor de vertaling van – hoog canoniek – toneel. Dit past bij de Friese cultuur, toneel is immers een van de meest in het oog lopende manieren om het Fries als cultuurtaal in te zetten. Niet alleen het professionele toneelgezelschap Tryater voert doorgaans hoog-literair werk op dat door Friese schrijvers is vertaald, ook amateurgezelschappen mijden het doen dit.

De jury van de Obe Postma-prijs werd aanvankelijk samengesteld door de Fryske Akademy, een taak die sinds 2008 is overgedragen aan het Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum Tresoar te Leeuwarden. Het profiel van het gemiddelde jurylid is dat hij of zij van interesse in het Fries of in de Friese literatuur blijk heeft gegeven en (doorgaans) hoger onderwijs heeft genoten. De jury fungeert als adviescommissie en draagt voor, terwijl de provincie al dan niet het advies overneemt, en doorgaans in de persoon van de Gedeputeerde van Cultuur, de prijs uitreikt.

Tryntsje van der Zee, winnares 2008. (Bron onbekend).

In en uit het Fries
Tekenend voor het kleine competitieve Friese literaire wereldje, waarin verschillende rollen vaak door dezelfde personen worden vervuld, is dat het merendeel van de jury’s in de loop der jaren kritiek heeft geuit op het systeem van jurering en het reglement van de prijs. Van meet af aan was hun voornaamste bezwaar dat jury’s ook geacht werden werken te beoordelen die uit het Fries in een andere taal waren vertaald. Men voelde zich daartoe niet bekwaam – de vertaling van een boek uit het Fries in het Oekraïens werd als typisch voorbeeld aangehaald; het betrof De fûke (1966) door Rink van der Velde (in 1983 vertaald door Yuri O. Zhlutenko). Bovendien was men van mening dat een prijs niet bedoeld kon zijn om Friese literatuur in het buitenland te marketen. Het reglement werd niet aangepast en de klacht bleef bestaan. Het gevolg is dat tot nu toe geen enkele jury het ooit heeft aangedurfd om vertalingen uit het Fries te in een andere taal dan het Nederlands te kiezen. Opmerkelijk is dat de jury van 1993 vond dat het vertalen uit het Fries in vreemde talen juist meer moest worden gestimuleerd.

Tweemaal werd de prijs verleend voor de vertaling van hoog-canonieke werken uit de Friese literatuurgeschiedenis, namelijk bloemlezingen uit het werk van de zeventiende-eeuwse dichter Gysbert Japicks (1990) en uit dat van de naamgever van de prijs Obe Postma (1999), die zo met succes onder de aandacht van het Nederlandse publiek werden gebracht.

Er zijn maar weinig literaire prijzen met een relletjes-loos, schoon blazoen. Zo is het ook met de Obe Postma-prijs. In 1987, de tweede keer dat hij werd uitgereikt, of beter zou worden uitgereikt, weigerde de provincie Fryslân de voordracht van de jury over te nemen. Michaël Zeeman, indertijd toneelcriticus bij de Leeuwarder Courant, zal er als jurylid de hand in hebben gehad dat zeven Friese schrijvers werden uitgekozen die werk voor het professionele Friestalige toneelgezelschap Tryater hadden vertaald (Piter Boersma, geb. 1947; Harke Bremer, 1955; Jarich Hoekstra, 1956; Sybe Krol, 1946-1990; Jan Schotanus, 1950; Romke Toering, 1947; en Pyt van der Zee, 1915-1998). Toen twee van hen – Boersma en Krol – de prijs weigerden en daardoor het besluit van de jury dus slechts gedeeltelijk kon worden overgenomen, besloot de Provincie, bij monde van gedeputeerde Johanneke Liemburg, om de prijs niet uit te reiken.

Goffe Jensma

Terug naar overzicht Vertaalprijzen>>>